woensdag 29 maart 2006

ONZE EUROPESE DWEIL

BL Commentaar 29 maart 2006 * Elsbeth Etty

door Tom Zwitser

De dweil van het NRC Handelsblad, Elsbeth Etty, heeft altijd een sopje paraat. Ook nu een Italiaanse minister met
duidelijke woorden iets over de Nederlandse euthanasiezaken heeft gezegd.

Deze meneer vergeleek het Nederlandse euthanasiebeleid met Nazipraktijken - een op zichzelf beschouwd fris inzicht en voor Etty fris
genoeg om hem een fundamentalist en extremist te noemen: “Als dat geen beledigen en haat zaaien is, dan weet ik het ook niet meer.” Hij
zou volgens haar oproepen tot vernietiging van de in ons land bestaande rechtsorde.

Daarop zeg ik: graag! en met die vernietiging, mogen ook de abortuswetgeving, artikel 1 en enkele andere destructieve wetten en
grondregels geschrapt worden. Vervolgens laten we ons door deze italiaan adviseren over de wetten die ervoor in de plaats komen.

Volgens Etty zijn de uitspraken een aanval op Europese waarden. Welke Europese waarden bedoelt ze? De nieuw waarden die we de laatste
20 jaar hebben ingesteld, of de oude waarden die vervangen zijn? Wat is er Europees aan abortus en euthanasie waar men alleen al in
Polen, Italie en Ierland van gruwelt? Wat bedoelt Etty dan met Europees? Zijn dat goed opgeleide Franse studenten die graag een partijtje
stenen mogen gooien na afloop van de colleges op het schoolplein van de Sorbonne? In de Verenigde Staten worden dit soort tuig met
onmiddelijke ingang de studiebeurzen ontzegd en de campus afgeschopt. Daar heeft men nog enig besef van hoe de elite zich dient te
gedragen.

Laten we een voorstel doen en zeggen dat Etty de nieuwe waarden verdedigt tegenover de italiaan Giovanardi die de oude (ook religieuze)
waarden verdedigt.

Waar de Nederlandse euthanasiewetgeving volgens Etty's nieuwbakken extremist Giovanardi gebaseerd is op ideeën van Hitler - welke
ideeën zouden dat kunnen zijn? Want wanneer de misverstanden in Italië over de Nederlandse kindersterfte uit de weg zouden zijn geholpen
door het kabinet (aldus het NRC-redactioneel), zou er dan nog sprake zijn van Nazipraktijken? Voor Elsbeth Etty, zoals bleek, uiteraard
niet.

Het sopje waarmee ze een katholieke overtuiging ijverig van het schoolbord sopt is - helaas voor haar - niet fundamentalisme-proof. Alles
wat de nieuwe Europese waarden in de weg staat is weliswaar beledigend, haat zaaiend en een bedreiging voor de rechtstaat, maar nu
vraag ik me af door wie de oude Europese waarden ooit bedreigd en tot de ondergang gedoemd werden. Juist: door de nieuwe. Waren die
destijds (en nu nog) ook beledigend en haat zaaiend? Wel, het waren in ieder geval de toenmalige Europese waarden die bedreigd en zo
goed als uit de weg geruimd werden in de 19e en 20e eeuw. En laat dat nu net gebeurd zijn door bijvoorbeeld secularisering, rationeel
extremisme en door liberale idioten (sorry, moet natuurlijk zijn: andersdenkenden), die zelfs het kerkelijk instituut van binnenuit hebben
leeggevroten.

Wanneer Etty’s waarden de huidige Europese waarden zijn, mag het van mij gebeuren dat ze om zeep geholpen worden, maar nu ten
gunste van de oude waarden die - gelukkig - nog her en der in Europa leven. Het oude Europa is niet dood en flakkert soms nog op, zoals in
een Italiaanse minister. En als Etty een beetje historisch besef had, dan zou ze weten dat het voor iemand uit het oude Europa niet uit
maakt of het door Hitler of door de liberale maatschappij met de totale uitdelging bedreigd wordt. Allebei zijn ze levensbedreigend voor de
Oud-Europese werkelijkheid van familie, historie en religie. Daarom moeten beide bestreden worden. Dat strekt Giovanardi tot eer!

Wanneer de oude Europese waarden werkelijk fundamentalistisch zijn, zal het oude Europa niet sterven. Waarden die sterven zijn waarden
die afhangen van publieke opinie, tendens-journalistiek en massahysterie. Hiervoor is een sopje afdoende. Deze psuedowaarden maken wel
veel kapot, maar niet alles. Om fundamentele waarden uit te wissen zijn 100 dweilen nog niet genoeg, laat staan dat de opinie in een natte
krant als het NRC er iets aan verandert.

Het is not done om met fundamentalisten en extremisten te praten, anders zou het NRC Handelsblad zich nog enigszins kunnen redden
door de Italiaanse minister uit te nodigen voor een aardig debat over de kwestie. Maar, zal Etty wel zeggen: men onderhandelt niet met
extremisten...

Links

Het kan zijn dat voor de volgende links inlogcodes vereist zijn:
Elsbeth Etty met "Ecclesia Militans" in het NRC Handelsblad d.d. 28 maart 2006
Redactioneel met "Italiaans Affront" in het NRC Handelsblad d.d. 20 maart 2006

Lees verder...

vrijdag 24 maart 2006

DIJKSMA'S RENDEMENT

BL Commentaar 24 maart 2006 * Werkende vrouwen

door Tom Zwitser

Het nieuwste speeltje van een landelijke politica is het volgende voorstel: afgestudeerden moeten werken en wanneer ze
niet werken, moeten ze net als de werkenden hun studiefinanciering terug betalen. Ze argumenteert namelijk dat de
samenleving investeert in talent, maar deze investering ook wil terugzien.

Daarmee zouden bijvoorbeeld fulltime moeders die gestudeerd hebben en waarvan de samenleving de investering niet terug zouden
verdienen, zelf voor de kosten moeten opdraaien. Aldus Tweede-Kamerlid voor de PvdA, Sharon Dijksma. ‘Want’, zo zegt ze zelf op haar
website, ‘het is natuurlijk jammer dat vrouwen, maar netzo goed mannen, hun opgedane kennis niet in praktijk kunnen brengen.’ Ze wil dat
mensen die er bewust voor kiezen om niet te werken hun studiefinanciering terug betalen.

Nu heeft Sharon Dijksma een probleem; ze weet blijkbaar niet hoe de studiefinanciering in elkaar zit, al is dat in grote lijnen vrij simpel: De
studiefinanciering is in het verleden, onder het voorwendsel dat de hoogopgeleiden het later met een goed salaris makkelijk kunnen
terugbetalen, van een studietoelage omgezet in een lening. Nu het volledig een lening is, wordt achteraf een deel in een gift omgezet
wanneer de student niet langer dan 10 jaar studeert. De rest moet worden terugbetaald, evenredig naar de eigen draaglast over maximaal
25 jaar na het afstuderen. Welk bedrag daarna nog openstaat, wordt kwijt gescholden. Met andere woorden; het wil vreemd lopen wanneer
je niet het grootste deel terugbetaalt.

Uiteraard was dit destijds voor studenten een omstreden beslissing, die alleen kon worden genomen met de verzekering dat de
afgestudeerde later naar eigen draaglast de lening moesten terug betalen. Zoals ik net al aangaf, is het hoger onderwijs niet synoniem aan
een goed betaalde baan. Wanneer de studietoelage met deze reden is omgezet in een lening, is het opmerkelijk dat de volgende stap volgens
mevrouw Dijksma moet zijn dat mensen die voor ouderschap kiezen of misschien het klooster intrekken, toch hun lening moeten terug
betalen. Dijksma’s maatschappij heeft zo niks aan hun ‘talent’.

De samenleving mag dan wel in talent investeren middels onderwijs, maar wanneer een eventuele baan niet ligt in de lijn van de studie, is er
dan wél sprake van wederkerigheid? Krijgt de samenleving dan wél terug waarin ze geïnvesteerd heeft? In financieel opzicht wel, maar niet
in de vorm van het ontwikkelde talent zelf. Wanneer Dijksma’s argument opgaat, namelijk de investering in talent, dan moet ze er ook op
toezien dat de samenleving wel het ontwikkelde talent van gepast werk voorziet en niet iets heel anders. Of mag dat ook van haar:
geschiedenis studeren en vuilnisman worden? Of zou ze dit, net als ik, een absurd gevolg van haar argument vinden waaruit gelijk blijkt dat
het haar helemaal niet te doen is om talent en opgedane kennis? Als het haar om het ontwikkelde talent te doen is, dan zorgt ze ook maar
dat iedere afgestudeerde ‘iets’ vindt in zijn vakgebied. Dan heeft de maatschappij iets aan de ontwikkelde talenten en kennis en kan de
persoon in kwestie in alle rust de lening afbetalen. Maar, uiteraard is het haar niet werkelijk om het talent te doen, noch om de in de studie
opgedane kennis, maar alleen om het geld.

Want voor een groot deel van de afgestudeerden bij bijvoorbeeld geschiedenis, maar ook vele andere studies is het niet vreemd om
genoegen te moeten nemen met iets ‘heel anders’. Bij bedrijfskundigen, juristen en medici ligt dat niet zo moeilijk. De meeste van de
afgestudeerden in deze studies hebben weinig problemen met het vinden van een passende baan, en, wanneer ze kiezen voor een gezin zijn
de financiële mogelijkheden er meestal ook wel.

Kennelijk is voor Dijksma deelname aan de economie de enige legale bijdrage aan de samenleving. Een constructieve bijdrage aan het
voortbestaan van de samenleving door een gezin te verzorgen en daar optimaal in willen investeren is blijkbaar iets wat hooguit ‘lof’
verdient, maar dat vanuit de overheid alleen maar met kinderopvang moet worden beloond. Dit ziet Dijksma als steuntje in de rug voor de
moeders. Het is zo langzamerhand wel duidelijk dat knutselconstructies voor de kinderopvang niet bepaald een constructieve bijdrage aan
een gezond gezin zijn. In plaats van investeringen in een waardeloze managerscultuur zou de overheid wel wat meer mogen investeren in
het bijeenhouden van het gezinnen. Want als er een instituut van de samenleving investering en restauratie nodig heeft, dan is het de familie
wel.

Deze voorgestelde maatregel van Dijksma is de zoveelste afbraakpoging in de afgelopen decennia van familie en het gezin. Zo
langzamerhand is wel duidelijk dat een gezonde opvoeding niet tot stand komt in de kinderopvang, maar alleen in een compleet
familieverband. En zo langzamerhand is ook wel duidelijk dat het de overheid niet te doen is om investering in onderwijs zonder meer,
maar in het winstgevend maken van de studiefinanciering. Het lijkt wel alsof het hoger onderwijs halfslachtig geprivatiseerd wordt. Nu
gaat het nooit goed wanneer een non-profit instituut moet doen alsof ze geprivatiseerd is, maar ook niet wanneer ze moet doen alsof het
heel slecht is dat ze geld kost. Door al dit gerommel met alles wat er in het hoger onderwijs besloten en veranderd wordt, wil ik voorstellen
om dan ook maar gelijk het universitaire onderwijs consequent te hervormen, deels naar Amerikaans model. Universiteiten moeten
gesponsord worden en dat geldt ook voor de studenten die allerlei studiebeurzen kunnen krijgen. Privé-fondsen en overheidsfondsen zorgen
voor studiebeurzen. Bepaalde bedrijven sponsoren bepaalde studies. Studies die weinig winstgevend zijn voor het bedrijfsleven worden door
een kleine buffer van de overheid opgevangen. Zo voorkomen we tegelijk de leegloop van academisch onderzoekstalent naar Amerikaanse
universiteiten. Minder winstgevende studies moeten met een helder en duidelijk overheidsbeleid behouden worden.

Sharon Dijksma! Wanneer het gaat om geld, zeg dat dan, en schuif het verhaal niet af op ‘ontwikkelen van talent en toepassen van
opgedane kennis’. En wanneer we het er allebei over eens zijn dat het hoger onderwijs een draak van een systeem is, wees dan dapper, bijt
op de tanden en hervorm het hele hoger onderwijs! En pak ook direct de ondoorzichtige brei van machtige bestuursmannetjes aan, die de
hele universitaire wereld in hun zak hebben

Lees verder...

zaterdag 18 maart 2006

FUNWORLD

bitterlemon.eu - FUNWORLD

een column, door Tom Zwitser, 18 maart 2006

Waar jongens als Harry Mulish in hun jeugd Chemische Jongensclubs oprichten, had ik in die jaren het lumineuze idee om een politieke
partij op te richten genaamd Groningen Overdekt. Het leek me schitterend; altijd 25 graden, nooit meer regen, behalve uit de tuinsproeier.
Je kunt mensen buiten de stad houden die er niks te zoeken hebben etc. Van die partij, noch van het overdekte paradijs is het ooit gekomen.
Ik heb leren leven in een Groningen in de open lucht. Maar niet overal ter wereld is men tot leven in de open lucht in staat.

In de Canadese stad Edmonton staat het grootste volledig overdekte winkelcentrum ter wereld. Dit winkelcentrum biedt onderdak aan
meer dan 500 winkels, aan het Waterpark, een golfbad met 10 glijbanen, pretpark Galaxy Land, een groot indoor activiteitenpark, een
ijsbaan voor ijshockey en kunstrijden, het Fantasylandhotel met verschillende themakamers, en tot slot een bioscoop.

In het winkelcentrum wordt drugs gedeald en is er een ondergronds circuit annex bende, genaamde de Mallrats. Sommigen van deze rats
kunnen in tijden van grote nood naar de inpandige kerk van het winkelcentrum. Daar worden ze opgevangen, ‘bekeerd’ en van hun
verslaving afgeholpen. Tevens kan men in de kapel trouwen, terwijl men in het hotel of het pretpark de bruiloft viert. In het winkelcentrum
brengen ook grote kolonies ouderen van dagen de tijd door. Ze zouden er graag willen wonen, al is dat (nog) niet mogelijk. Veel ouderen
komen af op de aangename temperatuur en ze kunnen er kilometers lopen om in de beweging te blijven.

Zo’n complete wereld onder een dak en achter deuren is in Nederland niet denkbaar. Althans het schijnt niet denkbaar te zijn. Want waar
men elders in de wereld aan toe is, daar denkt men ook in Nederland over na. De wereld van 24 uur shoppen temidden van alle attracties in
een immer behaaglijke temperatuur is ook in Nederland niet ver meer. Voor de wet mag elke stad die zich een “toeristische
aantrekkingskracht” toedicht elke zondag de deuren open houden. En net als in de West-Edmonton Mall gaan hier attractie en winkelen
hand in hand. Deze verbintenis is bij wet vastgelegd. Waar we ons “toeristisch” kunnen vermaken, daar moeten ook alle middenstanders
komen opdraven, wanneer ze hun handel aan de gang willen houden.

Een stad als Almere heeft zich, om de winkels op zondag open te krijgen, op die “toeristische aantrekkingskracht” beroepen omdat ze
volgens zichzelf beschikken over ‘hotels en campings, jachthavens en stranden, natuurschoon, musea en moderne stadsarchitectuur’. Het
verbaast me nog dat ze de winkels zelf niet hebben aangevoerd als een toeristische aantrekkingskracht. Me dunkt, als Almere toeristisch
aantrekkelijk is, wat betekent deze wet dan nog? Dat betekent niet dat de winkels onder zeer bepaalde voorwaarden op zondag open
mogen, nee, dat betekent juist, dat winkels onder zeer bepaalde voorwaarden gesloten moeten blijven. En nee, dat betekent niet dat er
bepaalde plaatsen zijn waar we ons mogelijk kunnen amuseren, maar dat betekent dat onze pret- en amusementscultuur in principe elke
denkbare plaats in beslag kan nemen. Het moet overal kunnen, en is het ergens niet, dan is dat een uitzondering, een abnormaliteit. De
agressie van deze cultuur is grenzeloos. Het erkent geen grenzen.

Het gaat een beetje ver om te concluderen dat het dus in een Edmontonse toestand uitmond, maar het geeft zeker te denken dat hier
dezelfde combinatie naar voren komt. En het is überhaupt merkwaardig dat in een land waar de laatste decennia en heuse pretcultuur is
ontstaan, daar ook een heuse shoppingcultuur bestaat. Want de grote nadelen van die laatste hebben voor een nieuw fenomeen gezorgd:
een Nederlands instituut voor koopverslaving. Men onderzoekt en behandelt in dit instituut koopverslaafden. Is 2 tot 8 procent van de
Amerikanen koopverslaafd, men gaat ervan uit dat in Nederland evenveel mensen koopverslaafd zijn. Deze getallen zijn geen
randverschijnselen meer. Het is inherent aan deze cultuur. Voor shopaholics is winkelen niet meer een pleziertje, maar een impuls die niet
te weerstaan is. Schulden, depressies, relatieproblemen en koopobsessies zijn het gevolg. Met andere woorden: wanneer de pret en
amusementscultuur elke denkbare plaats in de wereld in beslag kan nemen, dan neemt het ook de mens zelf in beslag.

Wanneer de hele wereld meer en meer gereduceerd wordt tot shoppen en amusement, dan komt er vanzelf een moment dat er een wereld
gecreëerd wordt waarin we slechts nog kunnen shoppen en ons kunnen amuseren in ontelbare attracties. Voor de momenten dat we elke
attractie al een keer gehad hebben, kunnen we onze pretverveling even van ons afzetten in de kapel, en daar tegelijk de nadelige
verschijnselen aanpakken; we kijken eens vergevingsgezind naar de pasbekeerde mallrat en kopen vervolgens ons schuldgevoel af met een
bijdrage in de collectebus of laten die via creditcard afschrijven. Het is allemaal net echt, want wat mist er nog?

Lees verder...

zondag 22 januari 2006

KNIELEN VOOR HET NIETS

Boekrecensie 22 januari 2006 * Jan Siebelink: Knielen op
een bed violen

door Tom Zwitser, over Jan Siebelink en de Algemene Nederlandse Toestand van Onbenul en (Historische) Onverschilligheid

Naast alle positieve recensies over Jan Siebelinks ‘bestseller’ wordt het wellicht tijd voor een kritische beschouwing van alle stempels die het
boek nu al gekregen heeft. Knielen op een bed violen wordt veronderstelt een roman te zijn die de Nederlandse naoorlogse pluriforme
moraal in alle hevigheid tegenover het Oud-Nederlandse Calvinisme stelt.

In het begin van het boek wordt hoofdpersoon Hans gesitueerd in een vooroorlogs gezin met een kerkelijke hervormde moeder en een
vader die vervalt in een zwart sektarisme waarvan Hans vooral de gevolgen merkt door bijzondere lijfelijke straffen die hem bovenal
mentaal doen knakken. Of het volgens Siebelink werkelijk calvinisme is, wordt niet duidelijk. Wel duidelijk is de vernietiging die er vanuit
gaat. Het gezin waarvan de moeder nog tijdens de vroege jeugd van Hans overlijdt, valt ten prooi aan de wraakzuchtige
rechtvaardigheidsopvatting van de vader. Op jonge leeftijd loopt Hans weg en begint in Den Haag als leerling op een kwekerij. Tot ook hij
een gezin heeft en een eigen bedrijfje onder de rook van Arnhem.

Niet lang daarna wordt Hans te midden van alle gezwoeg op zijn schamele bloemkwekerij sluipenderwijs opgeëist door een oude vriend die
hem de ware zin van het geloof komt verkondigen temidden van zijn ellende. Hoop in bange dagen kan hij goed gebruiken en hij geeft zich
eraan over, tot tenslotte zijn gezin er kapot aan gaat. Na een verzoeningspoging door zijn oudste zoon die hem en zijn vrouw weer bij
elkaar brengen, beëindigt hij rigoureus zijn huiselijke samenkomsten op zondag en de contacten met enkele ware gelovigen, waarvan de
levensvreugde over het algemeen niet afdruipt.

Het zij gezegd dat de godsdienstfanaten in dit boek zich als de ware gelovigen presenteren waar de kerken leugenachtige instituties zijn
geworden. ‘Het ware heil ligt buiten de kerken’, aldus een gezegende voorganger.

Laat dit even genoeg zijn. Wat naar voren komt is de dreiging die van dit geloof uitgaat. Hans is bang voor de verdoemenis. En ook voor
de eeuwige verdoemenis van zijn ‘huis’. Nu hoeft het leven niet direct een pleziertje te zijn, maar het door angst voor de eeuwige hel laten
beheersen en Gods oordeel over je gezin verwachten voor iedere vloek of spotternij die er onder je dak wordt uitgesproken (door een
puberende zoon); is dat het Oud-Hollandse calvinisme? Is dat nu slechts de extreme vorm van het 16e eeuwse calvinisme ‘waar we
inmiddels gelukkig niks meer mee van doen hebben’?

Nee, heren en dames seculiere, a-historische intellectuelen, dat is geen calvinisme. Dat is godsdienstwaanzin veroorzaakt door nihilistische
angst, een allesvernietigend gevoel door God verlaten te zijn. Het is de religieuze ervaring van de dood van God. Deze sektarische religie in
Siebelinks boek is in wezen zo modern en zo humanistisch als het maar zijn kan. Het is niets meer dan een tot waanzin geworden
moderniteit, die zich meester heeft gemaakt van het calvinisme. Verlichting, rationalisme en romantiek hebben het calvinisme de das om
gedaan, niet de zwartgalligheid van het calvinisme zelf. Ik zou bijna zeggen; zwartgalligheid en calvinisme zijn, in het geval ze naast elkaar
gezet worden, een contradictio in terminis. Het calvinisme dat in dit boek gepresenteerd wordt is doortrokken van nihilisme; van de
afwezigheid van God; van de breuk tussen het goddelijke en menselijke. Het is het resultaat van het terugbrengen van een geschapen
werkelijkheid tot niets meer dan natuurwetenschappelijke relaties.

Een wetenschapper zou zeggen: en terecht, ruim baan voor de feiten, na al die millennia van sprookjes en mythen; ‘de mens moet maar
eens volwassen worden’.

Een echte calvinist zou zeggen; wanneer de dingen teruggebracht worden tot enkel relaties die in wetten vastegelegd worden, erkennen we
niet meer de dingen om ons heen, maar alleen de manier waarop ze zich tot elkaar verhouden. We erkennen niet meer onze medemens,
maar alleen de manier waarop we ons tot elkaar verhouden. Of: de manier waarop we ons met elkaar moeten onderhouden.

Wanneer we de mens terugbrengen tot psychisch-fysische analyses, of met behulp daarvan de mens proberen te doorgronden en te
determineren, proberen we een soort balans te vinden tussen de rechten en plichten ten opzichte van elkaar. We proberen elkaar niet zozeer
te begrijpen, maar te fixeren. Datgene dat niet begrepen wordt, wordt afgesneden, en diegene die dat niet kan, valt buiten het sociale, is
asociaal, onaangepast: hij is niet in staat met ons in relatie te staan. Er is met hem geen relatie mogelijk, omdat niet vastgelegd kan
worden hoe deze relatie in elkaar steekt. Elke relatie die niet middels formules (formele logisch structuur) vastgelegd kan worden,
erkennen we niet meer, of we moeten haar nog ontdekken. Dit formele kan alleen zichzelf bewijzen, ze bewijst haar eigen
vooronderstellingen en daar valt het (nog-)niet-logische formeel - en dus bewijsbaar - buiten.

Siebelinks poging om het calvinisme in een extreme vorm te beschrijven, is een poging om haar wetmatigheden, haar formele structuren
bloot te leggen. En misschien geldt dit nog niet zozeer voor hem; maar in de boekbesprekingen wordt dit wel duidelijk gedaan. Hans lijkt
het tegendeel van de moderne naoorlogse moraal te zijn, maar is in deze blote tegenstelling tussen hem en zijn omgeving in wezen zelf het
resultaat van dit wetenschappelijke wereldbeeld en van de breuk tussen het goddelijke en het menselijke. Immers, Hans bereikt het
goddelijke niet meer en verliest daarmee het menselijke.

Siebelinks boek gaat niet over godsdienst maar over de angst die de moderne tijd over de mens heeft afgeroepen en die men her en der
geregeld tegenkomt: de breuk met God, de wereld en onszelf. Het gaat niet zozeer over godsdienst en religieus extremisme, maar meer
over de keerzijde van de moderniteit. Het heeft in wezen niks met geloof te maken. Het heeft veel meer met ongeloof te maken.

Jan: Held of slachtoffer? Onze nationale schrijver met knuffelstatus.

Knielen op een bed violen is geen afscheid van domineesland zoals Elsbeth Etty ons doen wil geloven. Het is het onderogen komen van een
verextremiseerd liberalisme. Ik durf de stelling aan dat de godsdienstwaanzin van Hans niet zozeer op God geconcentreerd is, als wel op
zijn angsten voor de straffen die hij op zal lopen als hij niet aan alle verwachtingspatronen voldoet.

Heel simpel is nu al te zien in de maatschappij dat uitzonderingen steeds minder geaccepteerd worden. Alles wat buiten de sociale
structuren valt, valt ook buiten het wederzijdse begrip. Het is niet meer iets wat niet begrepen wordt, maar iets wat gewoonweg niet meer
getolereerd wordt. Uitzonderingen zíjn niet meer te tolereren. Het systeem dreigt te mislukken. Het vaart pas wel bij standaardisatie en
normering. Dit is de verlichting ten top.

Datgene wat duister blijft na herhaalde pogingen om het licht van de rede erop en erdoor te laten schijnen wordt genegeerd en hermetisch
uitgesloten. Het calvinisme zou dit nooit doen. Zelfs niet wanneer het in haar bestaan bedreigd wordt. Het duistere is met grote sympathie
aanwezig in het calvinisme. En met duister wordt niet bedoeld de zwartgalligheid, het demonische of de verdelgingsangst, maar daarmee
wordt het duistere van de dingen zelf bedoeld. Wanneer de dingen zijn weggerelativeerd en het overige (een nihilistisch niets) is gevangen in
formele structuren, is de angst gerechtvaardigd voor de volledige uitdelging die ook Hans vreest bij de minste of geringste verzoeking of
bespotting van God door zijn jongste zoon. De formele structuren die overblijven zijn immers niets. Het zijn niet de dingen zelf, laat staan,
datgene wat is. Het ware ding, het zijnde, is al verloren in het moderne leven. We leven temidden van relaties, als relaties. De rest wordt
genegeerd of getemd.

Siebelinks geloof van de voorvaderen, is niet het geloof van de mensen en de dingen, het is niet het geloof van de schepping in haar God en
goden. Het is het geloof in de moderniteit en haar uiterste consequentie. Het is de realiteit van de dode-godservaring, voor zover deze
ervaring reëel is. Het is de realiteit dat wij ons buiten de dingen hebben geplaatst. Daarom kunnen we God ook niet meer ervaren. Daarom
is God voor ons ook dood. Maar of hij werkelijk dood is, kunnen we niet weten. Dat kunnen we pas weer weten als we de dingen laten
terugkeren en we hen weer toestaan om zich tot ons te laten verhouden.

Maar moeten we ons dan uit de totalitaire formele structuren kunnen verplaatsen? Formele structuren zijn nuttig om de structuur zelf te
begrijpen, maar niet datgene wat de structuur draagt, noch datgene wat door de structuur met elkaar verbonden wordt. Dat fundament
begrijpen is niet formeel en logisch.

Het pleit zelfs niet voor de mensen die het boek lezen. Ik heb de eerste 150 bladzijden gelezen, maar werd er niet goed van en heb de laatste
100 bladzijden een dag later gelezen. Behalve de taalbehandeling, die matig maar niet slecht is, is het boek weinig menselijk. Goede
literatuur schijnt weer eens een staaltje zwartschrijverij te zijn. Waarom moet dat toch altijd. Kijk naar L. F. Celine, die deed dat al, maar
hij kon nog eindeloos aan de zinnen schaven. Hij kon nog zinnen maken die, hoe extreem alledaags ook, juist daarvan verheven bleken te
zijn, op de een of andere manier...

Waarom moet een boek over (ogenschijnlijk) calvinistische erfenissen zo middelmatig, geschreven worden? Ik verwacht geen dichterlijk of
verheven taalgebruik, maar wat minder lomp, wat beter lopende zinnen... was dat teveel gevraagd? Het is niet slecht, maar is het nu echt
zo geweldig als de recensies doen voorkomen?

Recensenten zouden de roman unaniem herkend hebben als grote literatuur... Mmm, behalve dat de aard van de literatuur alleen al
historisch onjuist herkend is, heeft het technisch gezien amper de kwaliteit van een boodschappenbriefje. Boodschappenbriefjes zijn niet je
van het, maar daar is nog een zekere cadans in te krijgen.

Ja, het boek gaat over geloof; erg actueel.., bovendien is onze historie doortrokken van geloof. Wederom ja! Gelukkig wel ja! Vergeten we
dat soms? Nogmaals ja! Ja, dat zijn we vergeten, gezien de blik waarmee we naar het door Siebelink gepresenteerde ‘geloof’ kijken. Een
aantal mensen heeft het boek net als ik moeten wegleggen omdat het ons naar de keel greep. Maar vervolgens komt dat door dit ‘geloof’.
Dit zogenaamde geloof legt beslag op mensen. Reden temeer om ons, bevrijd van alle autoriteit van geloof, op te maken voor een ‘liberale
en atheistische neutraliteit’. Verlosten! Geloof moeten we niet meer; en lees anders dit boek door, dan weten we weer waarom we het niet
meer moeten!

Beste lezer, dit boek gaat niet over geloof. Geloof gaat over vertrouwen, dit boek gaat over angst. Dodelijke angst. Geen angst is dodelijker
dan de angst voor het Niets. Geloof gaat over de vanzelfsprekendheden, niet over angsten die opspelen bij elke gedachte en bij elke
beweging van onze vingers die niet ‘den HEERE is toegewijd’ .

Angsten zijn daar waar we de werkelijke vertrouwensband met de ander, met Het Andere verloren hebben. We vertrouwen het pas als we
het kunnen controleren middels verwachtingspatronen en fysische wetten die werken. Waar is het werkelijke vertrouwen? Niet bij Siebelink,
niet bij de recensenten, niet bij de staat, niet bij de procesmanagers. Er is - nogmaals - pas ‘vertrouwen’ wanneer we volledig
gedetermineerd volgens wetenschappelijke modellen ons leven leven. Met SBS6 of Jan Siebelink, dat maakt niet uit, want werkelijk verschil
is er niet. Alleen een formeel verschil.

Naar aanleiding van:

Knielen op een bed violen; ISBN 9023416651, Bezige Bij, € 19.90.

Lees verder...

dinsdag 3 januari 2006

ONDERNEMEN TOT JE ERBIJ NEERVALT

BL Commentaar 3 januari 2006 * Ondernemerschap

door Tom Zwitser

Van mij mocht het artikel van Mark Bovens en het interview met Jaap van Duijn in het NRC van 31/12/05 [1] op een en dezelfde
bladspiegel naast elkaar afgedrukt worden. Strikt genomen gingen ze over verschillende dingen, maar op de achtergrond presenteren ze
een mensvisie die van mij als een openlijke dialoog gepresenteerd mag worden. Of beter: het moet een dialoog worden. Beiden nemen een
actuele positie in en deze beide posities steken interessant tegen elkaar af.

Jaap van Duijn en het risicomijdend gedrag van de managers en politici

Van Duijn kenschetst de huidige Nederlander als een controlerende manager en betreurt de ondergang van de gedreven ondernemer die
bereid is risico’s te nemen. De overgang van ondernemer naar manager is volgens hem de overgang van innoveren naar beheren. De
ondernemer vernieuwt en innoveert, de manager stuurt processen aan en bant alle risico’s uit.

Van Duijn hekelt in navolging van de manager ook het incidentenbeleid van politiek en media: ‘Ik zit vaak met plaatsvervangende schaamte
naar het Journaal of Nova te kijken. Het gaat over niets, het minste of geringste wordt opgeblazen. Via Barend en Van Dorp rol je van het
ene in het andere incident.’ Tegen de politiek: ‘Stop met al dat scoren en profileren’. Zo plaatst hij de politiek en economisch handelen toch
in een breder en algemener klimaat: die van het uitbannen van risico’s en het opbouwen van zekerheden, garanties en waterdichte
regelingen. Dan hoeft de politicus na afloop over zo min mogelijk dingen zijn excuses aan te bieden. De politicus en de manager schuiven
hier naadloos in elkaar. Hij eindigt het interview met een Cruijffiaans pleidooi voor meer risico nemen: ‘Als je geen fouten meer kunt
maken, kun je ook geen goed meer doen’.

Mark Bovens: herstel van vertrouwen door aandacht voor de burger

Waar Van Duijn een meer fundamentele kritiek heeft op het Nederlandse publieke klimaat doet Mark Bovens dat juist niet en neemt de
sfeer van scoren en profileren als uitgangspunt. Hij is minder kritisch naar het geheel; volgens hem slaagt de regering er niet in zich te
profileren. De burger heeft in het algemeen weinig vertrouwen meer in de overheid, en meer specifiek in het kabinet Balkenende.
(Gemeentelijke diensten komen er gemiddeld wel aardig af.) Bovens lijkt als volgt te redeneren: Heeft de burger weinig vertrouwen? wat
kan en moet de overheid vervolgens doen om dit vertrouwen weer te herstellen? Met andere woorden; de overheid zal zich moeten
profileren en concrete punten scoren. Vertrouwen lijkt voor Bovens een imagokwestie te zijn. Goede politiek lijkt hier gevaarlijk dichtbij
goede p.r. te komen. Als een empathische bestuurswetenschapper stelt hij de lezer gerust dat de vertrouwenscrisis deels ook gewoon zijn
tijd moet uitzieken. Gewoon wachten op een economische opleving, straks weer een kabinet met wat meer maatschappelijk draagvlak en
het vertrouwen is weer hersteld. Het komt en gaat. Op en neer. Golfbeweginkje. En strakjes komt het gewoon weer. Burger blij, politiek
blij.

Toch maakt Bovens ook interessante opmerkingen; ‘het grootste wantrouwen vindt je bij de relatief laag opgeleide en onkerkelijke lagere
middenklasse, bijna een derde van de bevolking (...) en deze klasse lijkt zich steeds verder uit het publieke domein terug te trekken.’ Als
oplossing biedt Bovens de bestuurders aan dat ze de leefomgeving van deze grote groep burgers veilig, overzichtelijk en vertrouwd moeten
maken.

De politiek is juist te paternalistisch; laat de burger alsjeblieft los

Hier gaat hij mijns inziens direct de mist in. Het is juist zo dat deze groep niet gepaternaliseerd wil worden door politici die stuk voor stuk
hun ideeën hebben hoe ze het de burger zo goed mogelijk naar de zin kunnen maken. Deze grote groep burgers wil vrijheid, ademruimte en
wil niet ingeperkt worden door doolhoven van regels, talloze subsidies met uitgebreide reglementen, belastingen en zich-profilerende
risicomijdende politici.

Natuurlijk wordt de gemiddelde burger ook luier en materialistischer wanneer hij merkt dat alles op zijn wensen wordt afgestemd. Voor
alles worden polls onder de mensen gehouden. In alles wordt de burger om zijn mening gevraagd en deze mening wordt direct als een
economische of politieke vraag opgevat waarvoor een aanbod moet worden aangemaakt. Nieuwe targets, nieuwe processen. Wanneer de
burger merkt dat alle winden gaan waaien naar de willekeurige stand van zijn oren, wordt het een verwende burger waar Bas Heijne het
een paar weken geleden over had. Maar ik weiger te geloven dat Heijne’s verwende burgers dezelfde zijn als de groep die Bovens uit het
publieke domein ziet verdwijnen. Ik heb een ander beeld van die verstommende groep en vat deze op als de groep die nog risico’s wil nemen,
als de groep die nog over gezonde ondernemersgeest beschikt die Van Duijn ingesneeuwd ziet worden door beheersingsdenken van
managers. Juist de concrete dreiging vanuit de politiek en de economie legt deze grote groep een zwijgen op.

Ondernemersklimaat vs Managersklimaat

Deze mensen beschikken niet over de ultra-redelijke vergadermentaliteit waar de managers en politici wel over beschikken. Wat hun
leefomgeving betreft moeten politici van hun privé-terrein afblijven en zich niet inlaten met het overzichtelijk en vertrouwd maken van hun
leefomgeving. Daar kunnen ze zelf ook voor zorgen. Bovens is in deze zin ontstellend naïef. Economische gezien geldt dit ook: het zijn vaak
de Mbo'ers en lager opgeleiden die willen ondernemen en fouten durven te maken. Maar nu een faillissement direct een verbanning uit de
maatschappij betekent, lijkt deze groep ook hun lef kwijt te raken. Zij weten als geen ander hoeveel mislukking er nodig is voordat men een
succesvolle onderneming heeft. Ze zijn nog niet ‘besmet’ door een al te procesbeheersende managementgeest. Maar in het huidige
ondernemersklimaat (steeds meer een managersklimaat) begint dat te wankelen. Wanneer deze grote groep zich van de politiek afkeert en
zich uit de actieve economie terugtrekt, is het een teken aan de wand.

De banden tussen hen en de politiek en economie worden doorgesneden door de targets- en profileringscultuur. Het is niet zo dat ze zich
(volgens Bovens) uit het publieke domein terugtrekken, maar eerder zo dat ze zich uit het politieke domein verdreven voelen worden. Deksel
op de neus. Ze worden zoals elke Nederlander wel gepolst naar hun mening, maar alleen met vragen die passen in de huidige scoringsdrift.
Stel ze eens open vragen, dat zou een beter beeld van ze geven en laten zien dat ze zo hun eigen gedachten hebben over hun ingeperkte
leefomgeving, over politiek en economie. Nog beter is om het vragen geheel achterwege te laten en ze gewoon weer de vrijheid, zowel privé
als economisch, te geven waaraan ze gewend waren. Stuk voor stuk zullen het geen geleerde economen of bedrijfskundigen zijn, maar, om
het het met Van Duijn te zeggen; ze kennen de praktijk en durven fouten te maken. Ze zijn een te belangrijke drager van de economie.

Ondernemen, ondernemen, ondernemen...

Veel economische activiteit wordt in toenemende mate ingenomen door midden- en grootbedrijf, waar de scepter vaak door managers
gezwaaid wordt. De ouderwetse ondernemers uit de grote bedrijven gaan zo langzamerhand allemaal met pensioen en hun posities worden
overgenomen door hoger opgeleide managers die targets moeten halen en alle bedrijfsprocessen moeten beheren en beheersen. Wanneer
een derde van de bevolking (volgens Bovens) uit de publieke ruimte verdwijnt, lijkt het me tijd om de oorzaken eens onder ogen te zien.
Managers spenderen er een onderzoekje aan, vergaderen wat en stellen de targets wat bij: wat minder managen en wat meer ondernemen,
wat minder kortetermijnoriëntatie en wat meer risico, wat minder procesbeheersing en wat meer vakmanschap. Maar dan schuiven de
heren managers hun eigen brood van de plank. En dat zal nooit overtuigend gebeuren. Op de een of andere manier moet worden ingezien
dat kortetermijnoriëntatie en beheersingsdenken zowel de economie afremmen als wel het ondernemende leven in de weg staan. Daarom is
er nog een oplossing à la Van Duijn, vooral voor de grote groep die nu het vertrouwen in de overheid kwijt lijkt te zijn: Ondernemen tot je
erbij neervalt.

Noot

[1] "Opinie & Debat", bijlage van de NRC Handelsblad, d.d. 31 december 2005. Mark Bovens is hoogleraar aan de Utrechtse school voor
organisatiewetenschap. Jaap van Duijn was tot 1 oktober 2005 chief Strategist van de Robeco Groep.

Lees verder...

zondag 1 januari 2006

HANS' EEUWIGE JEUGD

bitterlemon.eu - HANS' EEUWIGE JEUGD

een column, door Tom Zwitser

Een hele gewone man op het eerste gezicht. ±50 jaar oud en in een spijkerjasje. Een struise kuif, die altijd weerbarstig van voor naar
achter over het hoofd uitwaaiert. Hoe goed de shampoo van nu ook is, de jaren ‘80 krijgt Hans er niet uitgespoeld.

Het neomarxisme uit die tijd is bij Hans aan de buitenkant wat bekoeld door het opdoeken van de Oost-West opstelling in Europa. Het is
tevens wat bijgeschaafd door polderende jaren ‘90; veel met elkaar praten en soortgelijks. Maar hoe zit dat van binnen? nog steeds links,
progressief en een groot dedain voor (christelijk) rechts? De hardnekkigen in die laatste groep zijn voor hem slechts sullige melancholici of
mensen die blind (willen) zijn voor de veelvuldig doodverklaarde en ten grave gedragen God. Hoe houden ze zich zo?

Nee dan Hans; met open ogen midden in de wereld, gaat hij met zijn kinderen naar de hipste dance-events en rolt gemoedelijk een blowtje
met ze. En enkeling onder zijn vrienden is zelf nog de DJ op het feest. Het tekent Hans. In die jaren 80, ondanks dat hij dan al tegen de
dertig loopt, komt hij pas goed los. De verwarde en revolterende jaren ‘60 en ‘70 waarin hij zich eigenlijk geen raad wist, zijn dan al voorbij
en hij en anderen die daarin geen actieve rol hebben gespeeld vinden eindelijk voldoening in het beschaafdere pacifisme van de jaren ‘80.
Niet al teveel rellen, wel veel schreeuwen maar weinig daadkracht. Gewoon overal tegen zijn, maar nergens iets tegen doen. Flink met
Habermas’ Theorie des Kommunicativen Handelns wapperen en zich tegelijkertijd ook nog strijdlustig voelen; hoe krijgt hij het voor
elkaar.

Gelukkig wordt zijn kuif modetechnisch nu niet heel erg gevonden. Het kan eigenlijk prima in onze tijd waarin retrostijlen elkaar sneller
afwisselen dan er kerken kunnen oecumeniseren of zich afscheiden... Het keeltje wil ook nog steeds wel. Hij heeft het zelf niet door maar
het is een manier geworden, die harde stem en vooral de vele grappen. Veel praten over 'de interessante dingen’ die er plaatsvinden. Dat is
de intellectuele versie van de man die is doortrokken van de jaren '80: veel interessante dingen opmerken en zien gebeuren in de
samenleving, maar wel kritisch blijven. Nergens in mee gaan. Nog knapper is zijn opmerkingsgave van dingen die de volle aandacht krijgen
in de media, maar die natuurlijk totaal niet interessant zijn. En samen met de kornuiten nog eens een kroegje pakken. Want kritisch zijn
doe je natuurlijk vanachter een goed biertje. Daarin kan zelfs een flink gematigde moslim nog wel met hem meegaan (waarvoor Hans
trouwens ook erg open staat).

Inmiddels is Hans niet overal meer tegen, en dat is omdat zijn generatiegenoten - ook van die gematigde napraters - op de knooppunten
van de samenleving zijn terecht gekomen en nu de zakdoekjes mogen laten wapperen. Stilaan zijn de ergste raddraaiers uit de jaren ‘60
met pensioen, en altijd schuchter achter hun brede rug uit de wind gebleven, komt hij nu ineens op kop, hij bepaalt nu mede de koers. Aan
de buitenkant lijken hij en zijn vrienden open en vriendelijk; Ze praten veel en hebben altijd ‘oren voor de jeugd, maar ook voor het
multiculturalisme en andere hedendaagse thema’s’. Ze lijken met hun voelsprieten de hele samenleving af te tasten. Althans, zo zien ze dat
graag zelf. Maar vergist u zich niet in De Kuif van Hans. Hij mag door een goed kapper geknipt zijn, maar het blijven wilde haren; ze staan
altijd in de richting waarheen de wind over de polder waait.

Lees verder...

NEDERLAND EXPORTLAND

bitterlemon.eu - NEDERLAND EXPORTLAND

een column, door Tom Zwitser

In de traditionele nederlandse musea wandelen Japanners, Amerikanen en inheemse 50-plussers langs de doeken met beelden die veelal
eeuwen verstild in de lijst hangen. De jongeren en "iedereen die echt met de tijd meegaat", vindt men niet in de toonzalen. Want in een kort
tijdsbestek zijn de beelden op de schilderijen onbereikbaar voor onze waarneming geworden. Ze kunnen ons slechts bereiken wanneer er
een film over ze gemaakt wordt, wanneer ze voor een recordbedrag verkocht worden, of wanneer ze om een andere reden in het nieuws
komen.

Welke kloof ligt er tussen de waarneming van nu en die van (niet eens zo heel) vroeger? De waarneming van nu is vluchtig en tegelijk een
roes. Het gaat niet meer om de herinnering en het reciteren daarvan, het gaat niet meer om de overeenstemming van wat voorbij is met
wat nu is. In tegendeel, het gaat om het ondergaan van de waarneming. De waarneming kiest elk moment voor zichzelf. Het kan zich elk
moment op wat anders richten. Ze versmelt met datgene wat ze waarneemt, maar laat dat even gemakkelijk ook weer los. De beroemde
caleidoscopische moderniteit doet zich voor, neemt me mee in een gesuggereerd geheel dat nooit een geheel is, een gefragmenteerd geheel
en is een altijd voortdurende, nooit eindigende, stroom fragmenten die uit eigen beweging nooit een begin en een einde heeft.

De schilderijen uit vroegere tijden moeten in deze molen worden opgenomen om ueberhaupt nog ervaren te kunnen worden. Ze moeten in
stukjes gehakt worden, veel delen verdwijnen, enkele blijven over en zie daar het Joodse Bruidje in onze tijd. Of; wat er van over gebleven is.
Rudi Fuchs kan niets anders meer tegen een klas allochtonen uitbrengen als "Wie naar zo’n schilderij kijkt, moet fantaseren".

Een zeer terechte opmerking wanneer we ons realiseren dat het nog stukjes zijn die overgeleverd zijn, alsof we nog maar een paar
vierkante centimeters van het doek over hebben en het geheel moeten raden. Dat is vervelend, want met de verschijnselen in onze eigen tijd
hoeven we dat niet. We hoeven niet meer te raden naar het geheel, want de stroom fragmenten neemt nooit af. Het ene fragment rond
nooit het andere af; het onderbreekt het. Maar Fuchs bedoelt dat we niks weten van het onderwerp van het schilderij, ondanks de titel. Er is
niks van bekend. Daarom kunnen we schijnbaar zelf beslissen waar het over gaat. De fantasie gebruiken.., Fuchs dacht daarmee aan te
sluiten bij een hedendaags trekje van de jeugd. Helaas. Het was saai en te lang. Hij had wel een half uur gepraat.

Wat moeten we over een paar jaar met de 50-plussers doen die cultureel willen? Eerst een uur laten floaten in een zoutbad met
rustgevende muziek leggen en hopen dat ze daarna voldoende uitgesloomd zijn om een half uur naar het Joodse Bruidje te kijken? Wordt
Rembrandt kijken een lang proces in een zorgvuldig afgewogen programma? Of geven we Rembrandt eraan? Sluiten we zowel het Rijks-,
als ook het Van Gogh- en het Kroller Mullermuseum? Het is niet dat er niemand naar wil kijken, maar niemand kan het meer. We zijn het
kijken verleerd. Wat moeten we dan nog met die nutteloze doeken die te duur zijn in het onderhoud?

De Chinese economie explodeert en binnenkort nemen Chinese miljardairs hun intrek in de Europese economische macht. Ze kopen
staatsschulden op omdat wereldmacht altijd een goede investering is voor een paar honderd jaar. China is schuldeiser geworden. Al snel in
de 21ste eeuw heeft ze de hele staatsschuld overgenomen. Al die schuldbekentenissen in de broekzak zijn toch saaier dan gedacht en binnen
een paar jaar willen ze cashen. De Nederlandse Staat realiseert zich dat ze nog enkele honderden zoniet duizenden oude doeken heeft liggen
rotten waar niemand meer naar komt kijken, maar die te duur zijn voor privecollecties van de locale miljardairs. Middels handjeklap doet
men de doeken over aan de Chinezen. Nederland is verlost van de staatschuld en de Chinezen, dolblij met de schat van duizend jaar
beschaving, keren naar huis, bouwen musea en miljoenen Aziaten vergapen zich aan Rembrandt, Vermeer en Fabritius.

Onderwijl gebruiken wij de grote gebouwen alleen nog als nuttige ruimten waar archeologen en cultuurexperts zich kunnen storten op
Chineze vazen, Zuid-amerikaanse graf-assecoires en mummies uit Egypte, die hierheen gehaald zijn in betere tijden. Of verkopen we de
musea, de grachtengordel en Volendam ook naar China omdat toch iedereen inmiddels in een beschaafd Almere, Lelystad of Zoetermeer
woont?

Hebben wij even spijt dat we destijds de Chinese Muur niet meegenomen hebben. Was een goed importproduct geweest...

Lees verder...