zaterdag 15 april 2006

BRO HENK

een column, door Tom Zwitser, 15 april 2006

"...Maar we zijn er nog. Yes, we bestaan nog. Vandaag zijn we bij elkaar rond het thema Ongelooflijke Vrijheid..."
De persoonsanalyse van deze week treft de 63-jarige Henk. Hij is als leidend evangelicaal een uitermate interessant studieobject. U treft
een deze week gepubliceerd essay over de evangelicale beweging en het ontstaan daarvan aan op deze webstek, [1] maar Henk kwam
daarin niet voor. Wanneer u geïnteresseerd bent geraakt in evangelicaal Henk, wordt u van harte uitgenodigd verder te lezen. Dat zouden
wij erg fijn vinden.

Henk op zondag

Op zondag is Henk de joviale opa die voor ieder kind een lach en een vriendelijk woord over heeft. Ook voor evangelische kinderen van 30
jaar en ouder. Iedereen is immers een kind. Althans, iedereen zou een kind moeten zijn. Daartoe dient de aansporing “wordt als de
kinderen, anders kun je het koninkrijk Gods niet binnen gaan”. En wees eerlijk: wie wil nu niet het Koninkrijk Gods binnengaan? Met de
kindwording is infantiliteit tot norm verheven. En Henk is de hoeder van deze norm. De aansporing is een vaste formule geworden. Een
toverformule. Wanneer hij op zondag temidden van de kinderen en van de broeders en zusters het welkomstwoord tot de gemeente mag
richten, zegt hij:

‘Ja lieve kinderen, lieve moeders, en lieve mannen-kerels (wij mannen mogen dat wel eens tegen elkaar zeggen) een hele week lang hebben
we dit moeten missen. Op woensdag hebben enkelen in kleine groepen uit het geweldige bijbelboek Job heerlijk lessen mogen leren en op
vrijdagavond hebben heel veel kinderen fijn liederen met elkaar gezongen tijdens de sing-in. En uiteindelijk zijn we nu weer met z’n allen bij
elkaar en dat is al weer een week geleden. Maar we zijn er nog. Yes, we bestaan nog. Vandaag zijn we bij elkaar rond het thema
Ongelooflijke Vrijheid. En dat willen we toch niet missen! Wanneer straks de kinderen naar hun zondagsschool gaan - nadat we drie
liederen met elkaar hebben gezongen - hoop ik dat we hen met liefde uitzwaaien. We mogen ze gerust een zoen of knuffel meegeven omdat
we van hen houden. Want laten we niet vergeten dat we moeten worden als de kinderen. Laten zij een voorbeeld voor ons zijn. Anders
komen we het koninkrijk der hemelen niet binnen. Laten we ons bevrijden van onze regeltjes, onze vooroordelen en laten we worden als de
kinderen: ongelooflijk vrij!'

De lezer zal misschien - anders dan de lieve gelovigen in de kerk - bij deze woorden geen oprechte glimlach om zijn mond hebben, hij zal
zich niet warm en welkom voelen. Als het goed is zal hij ook de rol van Henk doorzien. De rol van Henk steunt op de rol die de gemeente
(terug)speelt. Men bevestigt elkaar in het rollenpatroon. Dit proces zou men "Evangelische Dialogen" kunnen noemen. Henk is een expert
in de Evangelische Dialoog. Zolang hij er steeds bedrevener in wordt anderen een aangenaam gevoel te geven, geven die anderen hem dat
ook terug met een glimlach, een zegenwens, een warm blijk van medeleven of een dankwoord voor zijn warme woorden. Het werkt
allemaal bij Henk. Alles in dienst van die lange levensmars richting het grote koninkrijk der hemelen. Zelf groeien door anderen heeft hij
tot zijn persoonlijke project bestempeld. Zo valt er voor hem ook nog wat te groeien in het geloof. Groeien om te worden als een kind. Niet
kinderlijk, zelfs niet kinderachtig, nee: het infantiele, het kindse. Of kunnen we, gezien de leeftijd van het evangelicalisme beter zeggen; blind
voor de eigen seniliteit, rotting en versterving? Hij mist zowel de onbevangenheid van het kind als de wijsheid van de bejaarde die na een
lang leven niets meer gelaten wordt dan zijn eigen dood te sterven. Neemt de evangelische beweging nog in aantal toe, de inhoud rot weg
als sneeuw voor de zon.

Henk door de week

Wanneer de inhoud er niet meer is, mag men zich in alle ernst afvragen wat men nu werkelijk met elkaar deelt behalve dit rolbevestigende
gevoel? De jeugd (12 - 40 jaar) heeft op vrijdagavond met elkaar liedjes geblèrd in de grote zaal waar voor de sfeer wat discobollen zijn
opgehangen (die wel makkelijk te verwijderen zijn, voor de zondag). Drie gekleurde lampen cirkelen hun lichtbundels in de zaal rond en
men doet met veel inzet hun best om op eigentijdse wijze de kinderen bij de kerk te behouden. Ze ‘mogen’ zelf hun eigen vrijdagavond
invullen. Al is er wel iemand aanwezig van het kader van leidende broeders om er een oogje op te houden. Voor al het overige zijn er drie
jeugdwerkers die zich bijvoorbeeld bekommeren om de ongelovige vrienden die van de straat worden meegenomen en waar er altijd twee,
hooguit drie van aanwezig zijn. Het is op zo’n moment gebruikelijk deze mensen heel vanzelfsprekend te ontvangen, maar de handdruk is
dan net even hartelijker dan gebruikelijk, de welkomstglimlach net even breder en wanneer de jeugdwerker er mee aan de praat raakt,
wordt er snel door twee of drie anderen het initiatief genomen om in een kamertje ernaast voor het verloop van het gesprek te bidden. Het
resultaat ervan wordt voor de zondagdienst doorgespeeld aan Henk, zodat hij in de dienst kan danken voor de goede dingen die er weer
gebeurd zijn - en uiteraard nog staan te gebeuren.

Henk is, behalve tijdens een beperkt optreden op zondag, vooral de grote man achter de schermen. Hij neemt bijvoorbeeld zorg voor alle
cursussen die er gegeven worden. Bijvoorbeeld de Alfacursus en cursussen als De bijbel open, De bijbel door en De bijbel dicht. Van Genesis
tot openbaring, alle cursussen hoe gek ook, bestaan in de evangelische wereld. Het is de wereld van deelcertificaten en stapsgewijze
promotie. Wanneer je er enkele gedaan hebt en je bent gegroeid, mag je zelf een Alfacursus gaan leiden. Henk zit in een comité dat al die
cursussen uitdenkt, of hij is iemand die dat comité aanstuurt. Henk houdt van zijn rol en speelt die dusdanig dat hij er zelf best in gelooft.
Niet altijd, maar tijdens het spelen van zijn rol kan hij het niet laten er zelf van harte in te geloven. Het drama dat hieruit voortkomt begint
al met dat Henk geen rollen kan spelen. Hij is net als Andries [2] een slecht acteur.

Behalve het proletarisch gezang heeft men ook de gezamenlijke cursus als bindende factor. Het netwerk van "een cursus geven en twee
andere volgen" is ontzettend hecht, ook de status die erbij komt is belangrijk - en natuurlijk de verantwoordelijkheid. Een goede betrokkene
van het cursusgebeuren staat met twee benen in het leven: met het ene been weet hij heel goed wat er in de wereld te koop is en wat er in
jongeren omgaat, en uit de andere spreekt een soort innerlijke bezinning. Hij kan in ieder geval uitstekend ernstig staren. Dan zegt hij
zoiets als ‘maar natuurlijk zijn er altijd te weinig cursussen en er kunnen altijd meer mensen bij. Gods koninkrijk is nooit te vol.’
Henk in het koninkrijk der hemelen

Uiteindelijk marcheert men Gods koninkrijk binnen met discobollen, draaiende lampen en ver voor de stoet uit een glimmende Henk.
Lachend wijst hij op de schare jeugd achter hem: "We hebben ze behouden hoor! We moesten zelf ook als kinderen worden, en dat was
moeilijk maar we hebben het gered." Dit moment is de droom van Henk. Zijn triomftocht. Intussen doet Petrus z'n best aan de poort,
maar hij verliest het ook van deze overmacht aan schreeuwerige infantiliteit en gekerstend hedonisme. De stroom is niet te stuiten. Wij
wisten dat natuurlijk allang en hadden het hem al veel eerder kunnen vertellen, zij het dat Petrus op zijn oude dag wat doof geworden is.
Ach hemelpoort... Voor de evangelische beweging is er geen poort nodig. Waarom ook? iedereen is toch van harte uitgenodigd? Wij zouden
het erg fijn vinden als er niemand buitengesloten wordt. En Petrus? die laat men z'n gang nog een beetje gaan. Uiteindelijk is hij gewoon
een oude traditie, een fossiele gewoonte waar men in het koninkrijk nog een beetje clementie mee moet hebben.

Maar, anders dan destijds in Hamelen, zijn het niet alleen de kinderen die de stad uitgelokt worden, maar lopen ook de ouders enthousiast
zingend mee: "Met z'n allen voor Gods troon..." Henk, als professionele rattenvanger die weet wat er in de wereld te koop is, heeft de
kinderen meegelokt en gekocht. En de ouders in een koop erbij. De juiste deun, een glanzende discobol en de jeugd blijft heel eigentijds kerk
en koninkrijk trouw. Toverwoorden zijn "geloof van het hart", "bewogen zijn met de mensen" en de immer vloeiende genade doet de rest.
Dat men zoals vroeger een vervelend kind in de kerkbank rustig een draai om de oren gaf om het eerbied voor het onbegrijpelijke en heilige
bij te brengen, is he-le-maal uit de tijd. Er moet tegelijk getoverd en onttoverd worden.

Hemelen of Hamelen?

En Hamelen? Dat is leeg en verlaten: geen ratten, geen kinderen. Er is geen mens meer op straat, behalve wat bejaarden die niet met de
muziek mee konden. (Die ook niet met de muziek mee wilden.) Dit lege Hamelen is de Hemelvaart van Henk. Onder begeleiding van zijn
toverfluit, de vaste formules en de discobol lokt hij iedereen de stad uit. Waar hebben de mensen het aan verdiend?

Wat houd je nu over wanneer Henk zijn rollen verliest? Wie is hij eigenlijk? Henk heeft rechten gestudeerd en heeft weet van drogredenen,
onechte argumenten en misleiding. Dat moet ook wel als je geacht wordt te weten wat er in de wereld te koop is. Henk is helemaal niet zo
naief als zijn rol hem laat schijnen. Daarbij is hij ook superieur in de vergaderingen met de andere leidende broeders, zonder dat deze
doorhebben waarmee hij hen belazert. ‘Belazeren? Kom op! Henk heeft visie en visie hebben we nodig'. We hebben iemand nodig die de
koers kan uitstippelen en Henk kan dat. Maakt het voor Het Aangename Gevoel nu werkelijk uit hoe dat veroorzaakt wordt? Het gaat er
immers om dat men elkaar aangenaam doet voelen. Compassie, daar gaat het om. Wederzijdse compassie is pas werkelijk vrij zijn.

Visie? Koers? Compassie? Henk is niets meer dan een manager. Hij is een procescontroller. Het gaat hem niet om het betoveren van de
ratten, het gaat hem om het betoveren van de mensen. Hij is getraind in het ontwikkelen van beleid - ook zo'n toverwoord - en wil het
proces beheersen. Daarvoor hanteert hij vaste formules waar niet vanaf geweken mag worden. Iedereen speelt zijn rol met verve en daar
ziet hij op toe. Men behoudt de jeugd, men behoudt het koninkrijk der hemelen, men behoudt elkaar, men behoudt de Bijbel. Men behoudt
wat er is [3] en kient de groei zorgvuldig uit. Henk heeft alleen wat toverwoorden en zijn toverfluit nodig. Hij zou een goede leraar van
Harry Potter zijn. De evangelische beweging lijkt daarbij op een Zwijnstijn waar men op bezems door de lucht zweeft en waar in de kelder
het grote schaakspel tegen het Kwaad aan de gang is. Een hele heisa van bovennatuurlijke krachten waar geen fatsoenlijk mens iets mee
van doen zou moeten hebben, maar zo niet Henk. Hij neemt vrijmoedig wat zetten voor zijn rekening. Deze vrijmoedigheid getuigt immers
van grote compassie.

Hij draagt zorg voor het netwerk van laagdrempelige cursussen waarin alle doordeweekse (on)geloof wordt omgetoverd naar het immer
durende geloof van de compassie. Men leert niets anders dan hollen door eindeloze gangen zonder deuren. Altijd maar hollen, ieder op zijn
eigen tempo. Iedereen wordt bezig gehouden met zijn eigen groei. Wanneer iemand zich afvraagt waarom men holt, dan is het antwoord
dat hij nog meer moet groeien voordat hij "het" mag zien, en dus holt men verder. En wat is het fijn om te zien dat iedereen groeit in zijn
geloof. Inderdaad: die groei is wel vereist, wanneer men uiteindelijk moet geloven wat men allemaal ziet. Het is werkelijk ongelooflijk.

Noten

[1] Evangelisch simplisme
[2] ESPRESSO: Intellectueel 28 februari 2006
[3] Aldus is het openbaringsvers tot kunst verheven: "Ik kom haastelijk, houd wat gij hebt opdat niemand uw kroon neme", Openbaring 3:
11.

Lees verder...

vrijdag 7 april 2006

bitterlemon.eu - SOCIAAL, DEEL 2

een column, door Tom Zwitser, 7 april 2006

Na de consternaties rond mijn huisgenoot, twee columns geleden, zijn er weer vorderingen te melden. Ik ben laatst kwaad geworden toen
ik weer eens langer dan een half uur zijn immorele teksten en gedreun moest aanhoren en van de week is er daarom een vergadering
belegd met alle huisgenoten om het geheel te sussen en, vanwege de spanningen, enkele regels voor het geluid overeen te komen. Niet dat
die er daarvoor niet waren, maar opeens was daar onduidelijkheid over. Ik had die regels helemaal verkeerd begrepen en met mij nog
iemand: onze inpandige verhuurster.

Mijn huisgenoot kwam in een hemdje en sportbroek nors op de bank zitten. Een understatement. Hij was namelijk nog bloedchagerijnig.
En dat al sinds het incident. Met horten en stoten kwam er een gesprek op gang: hij vertelde dat we met z’n vieren in een huis wonen en dat
er dus compromissen gesloten moeten worden. Bovendien verweet hij me dat ik daartoe niet in staat was. Telkens namelijk, wanneer hij
mij komt vertellen dat hij wat lawaai wil gaan maken, dan antwoord ik daarop dat het prima is, zolang ik er geen last van heb.

Mijn huisgenoot vindt dit geen gesprek. Hij zei dat ik altijd hetzelfde zeg en dat er dus niet met mij te praten valt (en dat is asociaal). Nu
voelde ik de sterke neiging om hem nog eens exact hetzelfde te vertellen: ‘Ik ben heel flexibel; je mag van mij heel veel lawaai maken, zolang
ik er in mijn kamer maar geen last van heb. In de woonkamer is dat het geval en dus kan je daar heel veel lawaai maken. Wanneer ik dan
in de woonkamer kom, neem ik dat voor lief. Maar ik neem het niet voor lief dat ik in mijn kamer jouw herrie moet aanhoren. Zelfs niet
voor een half uur. Mijn kamer is de grens. Daarbuiten ben ik erg flexibel.’ Maar dit vindt hij terecht geen gesprek, en wat het dan wel is
wist hij niet te vertellen. Dat kan ik wel: hij is gewoon erg doof. Hij luistert niet, hoe vaak ik het ook zeg. Daarom wil het maar geen
gesprek worden.

Dit zei ik echter niet. Ik zei helemaal niet veel tijdens de vergadering. Zijn chagerijn nodigde niet uit om te gaan kwebbelen. Dat is immers
asociaal. Ik had er niet veel zin meer in. Maar ik ontdekte een nieuw fenomeen: wanneer je zelf weinig zegt dan gaat de andere partij ineens
veel meer zeggen. Uiteindelijk zei hij uit zichzelf dat hij zich met dat incident niet aan de regels had gehouden qua volume van de muziek
e.d. Maar dat ik er terecht iets van gezegd had, gaf hij niet toe. Want dan ben ik immers nog niet flexibel genoeg geweest om zijn
overtreding met liefde door de vingers te zien: ‘dan gun ik hem dat niet.’

Maar ik zei niet veel. Ik zei ook niets van zijn nieuw geleerde woord ‘compromissen sluiten’. Ik heb hem er zelfs niet mee
gecomplimenteerd, wat op de keper beschouwd erg asociaal is. Ik zei ook niet dat wanneer het alleen om het sluiten van compromissen
gaat, het een mooie boel zal gaan worden. Dan zet ik toch gewoon zo hoog mogelijk in om datgene te bereiken dat ik heimelijk al wilde
bereiken. Maar vervolgens gaat de ander dat ook doen en bereik ik mijn doelstelling niet, dus ga ik nog hoger inzetten om het toch te
bereiken en voila, op deze manier schijnt het te werken in de wereld.

Maar zo werk ik niet en dus zei ik weinig. Uiteindelijk werd er een nieuwe regel opgesteld: wannéér - wanneer hij voor de duur van
maximaal een half uur tot driekwartier herrie wil maken die mijn kamer kan bereiken, ga ik beneden de krant lezen of even eten. Dan
zorgt hij dat ik daar niks van zijn muziek hoor. Zo is er altijd een goede plaats in huis waar ik zijn muziek niet hoor. Ik ging er zonder
manco mee accoord, ook omdat dit bijna exact de oude afspraak was die ik ‘verkeerd had begrepen’.

Maar het vreemde was: na afloop van de vergadering voelde ik me niet socialer, flexibeler of leuker en dus een betere huisgenoot die geluk
aan zijn medebewoners schenkt en daar zelf ook warm en sentimenteel van wordt wanneer hij eraan denkt hoe goed hij eigenlijk is geweest.
Niets daarvan voelde ik. Mijn huisgenoot zat daar nog steeds nors -ietsje minder misschien, de andere twee huisgenoten zaten er opgelucht
bij en ik - ik zei weinig en had ook weinig zin om iets te zeggen. Ik was nog steeds asociaal.

Lees verder...

zondag 2 april 2006

MENZIS BEDROG

bitterlemon.eu - MENZIS BEDROG

een column, door Tom Zwitser, 2 april 2006

Een oudere vriend vertelde me onlangs dat hij voor zijn gezondheid blijvende fysiotherapie nodig heeft. Daarvoor is hij verzekerd. Bij
Menzis overigens. Hij loopt zo tegen de zestig en het gestel kwakkelt behoorlijk chronisch. In zijn polis staat de omschrijving ‘100%
vergoeding van fysiotherapie’. Het is het op een na duurste pakket en er zitten nogal wat plussen aan, vergeleken met een basispakket. En
het kost ook wat meer dan een basispakket.

Dus is de fysiotherapie in volle gang: nek, nek en nog eens nek, maar ook een deel schouderproblemen. ‘t Zit allemaal vast. En na een week
zit het weer vast en is er nu naast de fysiotherapie ook nog fitness om de boel wat sterker te maken. Dat helpt ook, maar niet zo dat hij de
fysiotherapie kan laten schieten. Nu zou dat met de omschrijving in de polis van de zorgverzekering ook geen probleem moeten zijn. En
vanuit die hoek is het ook geen probleem. De zorgverzekeraar, Menzis zorg en inkomen, heeft het vanuit een andere hoek geprobeerd: het
centrum voor fysiotherapie waar mijn vriend werkt heeft een contract met de verzekeraar en daarin staat - maar dat is geheim - dat elke
klant maximaal elf behandelingen mag krijgen. Dit terwijl de klant denkt dat hij alle fysiotherapie vergoed krijgt. Daarna mag het
fysiotherapiecentrum geen behandelingen meer geven. De klant moet gewoon na elf behandelingen de deur uitgewerkt worden.

Wanneer het centrum regelmatig over de schreef gaat en mensen met meer dan elf beurten behandelt, dan verbreekt Menzis het contract
met ze. Dat doen ze natuurlijk ook wanneer deze uitbuiting publiekelijk bekend wordt. De fysiotherapeut zit dus in de klem. En niet weinig.
In de bewuste polis staat ook dat de klant bij een niet door Menzis gecontracteerde fysiotherapeut maximaal 250 euro vergoed krijgt. Dat
lijkt mij goed voor zo’n 5 behandelingen, al weet ik de precieze tarieven niet. De klant gaat dus liever naar een gecontracteerde therapeut
omdat diens behandelingen 100% vergoed worden.

Nu mijn oudere - niet met name te noemen vriend: deze is met elf behandelingen niet genezen, en naar het zich laat aanzien, ook niet met
twintig. Het is een lange weg naar herstel, als de relatieve ouderom herstel al mogelijk maakt. De fysiotherapeut heeft tegenover hem zijn
mond voorbij gepraat en had dat niet mogen doen. Maar, zei hij, dan kunnen we een andere code schrijven. Doen we niet code nek, maar
nog eens code schouder. En dan kan ik weer elf behandelingen geven. En dan hopen dat Menzis niet al te streng controleert. Want ze
hebben ons al eens gecontroleerd.

Hieruit begrijp ik dat in de kleine drie maanden dat het nieuwe verzekeringsstelsel nu draait en mensen dus eerst elf behandelingen moeten
krijgen, Menzis al eens langs is gekomen om te kijken of de fysiotherapeut zich wel aan de elf behandelingen houdt.

Nu vraag ik u: hoe waagt een verzekeraar het in de polis te zetten dat het de fysiotherapie 100% vergoedt en tegelijk in het geheim met de
fysiotherapeut een wurgcontract afsluit waar de klant niets van mag weten omdat de klant ervoor betaalt? Alleen omdat de term 100%
niet exact hetzelfde betekent als dekt alle behandelingen? Hier kun je toch alle juridische termen, van fraude tot aan het rechtstreeks
bedriegen van klanten op los laten? Wat moeten we met deze waardeloze praktijken?

Lees verder...

woensdag 29 maart 2006

ONZE EUROPESE DWEIL

BL Commentaar 29 maart 2006 * Elsbeth Etty

door Tom Zwitser

De dweil van het NRC Handelsblad, Elsbeth Etty, heeft altijd een sopje paraat. Ook nu een Italiaanse minister met
duidelijke woorden iets over de Nederlandse euthanasiezaken heeft gezegd.

Deze meneer vergeleek het Nederlandse euthanasiebeleid met Nazipraktijken - een op zichzelf beschouwd fris inzicht en voor Etty fris
genoeg om hem een fundamentalist en extremist te noemen: “Als dat geen beledigen en haat zaaien is, dan weet ik het ook niet meer.” Hij
zou volgens haar oproepen tot vernietiging van de in ons land bestaande rechtsorde.

Daarop zeg ik: graag! en met die vernietiging, mogen ook de abortuswetgeving, artikel 1 en enkele andere destructieve wetten en
grondregels geschrapt worden. Vervolgens laten we ons door deze italiaan adviseren over de wetten die ervoor in de plaats komen.

Volgens Etty zijn de uitspraken een aanval op Europese waarden. Welke Europese waarden bedoelt ze? De nieuw waarden die we de laatste
20 jaar hebben ingesteld, of de oude waarden die vervangen zijn? Wat is er Europees aan abortus en euthanasie waar men alleen al in
Polen, Italie en Ierland van gruwelt? Wat bedoelt Etty dan met Europees? Zijn dat goed opgeleide Franse studenten die graag een partijtje
stenen mogen gooien na afloop van de colleges op het schoolplein van de Sorbonne? In de Verenigde Staten worden dit soort tuig met
onmiddelijke ingang de studiebeurzen ontzegd en de campus afgeschopt. Daar heeft men nog enig besef van hoe de elite zich dient te
gedragen.

Laten we een voorstel doen en zeggen dat Etty de nieuwe waarden verdedigt tegenover de italiaan Giovanardi die de oude (ook religieuze)
waarden verdedigt.

Waar de Nederlandse euthanasiewetgeving volgens Etty's nieuwbakken extremist Giovanardi gebaseerd is op ideeën van Hitler - welke
ideeën zouden dat kunnen zijn? Want wanneer de misverstanden in Italië over de Nederlandse kindersterfte uit de weg zouden zijn geholpen
door het kabinet (aldus het NRC-redactioneel), zou er dan nog sprake zijn van Nazipraktijken? Voor Elsbeth Etty, zoals bleek, uiteraard
niet.

Het sopje waarmee ze een katholieke overtuiging ijverig van het schoolbord sopt is - helaas voor haar - niet fundamentalisme-proof. Alles
wat de nieuwe Europese waarden in de weg staat is weliswaar beledigend, haat zaaiend en een bedreiging voor de rechtstaat, maar nu
vraag ik me af door wie de oude Europese waarden ooit bedreigd en tot de ondergang gedoemd werden. Juist: door de nieuwe. Waren die
destijds (en nu nog) ook beledigend en haat zaaiend? Wel, het waren in ieder geval de toenmalige Europese waarden die bedreigd en zo
goed als uit de weg geruimd werden in de 19e en 20e eeuw. En laat dat nu net gebeurd zijn door bijvoorbeeld secularisering, rationeel
extremisme en door liberale idioten (sorry, moet natuurlijk zijn: andersdenkenden), die zelfs het kerkelijk instituut van binnenuit hebben
leeggevroten.

Wanneer Etty’s waarden de huidige Europese waarden zijn, mag het van mij gebeuren dat ze om zeep geholpen worden, maar nu ten
gunste van de oude waarden die - gelukkig - nog her en der in Europa leven. Het oude Europa is niet dood en flakkert soms nog op, zoals in
een Italiaanse minister. En als Etty een beetje historisch besef had, dan zou ze weten dat het voor iemand uit het oude Europa niet uit
maakt of het door Hitler of door de liberale maatschappij met de totale uitdelging bedreigd wordt. Allebei zijn ze levensbedreigend voor de
Oud-Europese werkelijkheid van familie, historie en religie. Daarom moeten beide bestreden worden. Dat strekt Giovanardi tot eer!

Wanneer de oude Europese waarden werkelijk fundamentalistisch zijn, zal het oude Europa niet sterven. Waarden die sterven zijn waarden
die afhangen van publieke opinie, tendens-journalistiek en massahysterie. Hiervoor is een sopje afdoende. Deze psuedowaarden maken wel
veel kapot, maar niet alles. Om fundamentele waarden uit te wissen zijn 100 dweilen nog niet genoeg, laat staan dat de opinie in een natte
krant als het NRC er iets aan verandert.

Het is not done om met fundamentalisten en extremisten te praten, anders zou het NRC Handelsblad zich nog enigszins kunnen redden
door de Italiaanse minister uit te nodigen voor een aardig debat over de kwestie. Maar, zal Etty wel zeggen: men onderhandelt niet met
extremisten...

Links

Het kan zijn dat voor de volgende links inlogcodes vereist zijn:
Elsbeth Etty met "Ecclesia Militans" in het NRC Handelsblad d.d. 28 maart 2006
Redactioneel met "Italiaans Affront" in het NRC Handelsblad d.d. 20 maart 2006

Lees verder...

vrijdag 24 maart 2006

DIJKSMA'S RENDEMENT

BL Commentaar 24 maart 2006 * Werkende vrouwen

door Tom Zwitser

Het nieuwste speeltje van een landelijke politica is het volgende voorstel: afgestudeerden moeten werken en wanneer ze
niet werken, moeten ze net als de werkenden hun studiefinanciering terug betalen. Ze argumenteert namelijk dat de
samenleving investeert in talent, maar deze investering ook wil terugzien.

Daarmee zouden bijvoorbeeld fulltime moeders die gestudeerd hebben en waarvan de samenleving de investering niet terug zouden
verdienen, zelf voor de kosten moeten opdraaien. Aldus Tweede-Kamerlid voor de PvdA, Sharon Dijksma. ‘Want’, zo zegt ze zelf op haar
website, ‘het is natuurlijk jammer dat vrouwen, maar netzo goed mannen, hun opgedane kennis niet in praktijk kunnen brengen.’ Ze wil dat
mensen die er bewust voor kiezen om niet te werken hun studiefinanciering terug betalen.

Nu heeft Sharon Dijksma een probleem; ze weet blijkbaar niet hoe de studiefinanciering in elkaar zit, al is dat in grote lijnen vrij simpel: De
studiefinanciering is in het verleden, onder het voorwendsel dat de hoogopgeleiden het later met een goed salaris makkelijk kunnen
terugbetalen, van een studietoelage omgezet in een lening. Nu het volledig een lening is, wordt achteraf een deel in een gift omgezet
wanneer de student niet langer dan 10 jaar studeert. De rest moet worden terugbetaald, evenredig naar de eigen draaglast over maximaal
25 jaar na het afstuderen. Welk bedrag daarna nog openstaat, wordt kwijt gescholden. Met andere woorden; het wil vreemd lopen wanneer
je niet het grootste deel terugbetaalt.

Uiteraard was dit destijds voor studenten een omstreden beslissing, die alleen kon worden genomen met de verzekering dat de
afgestudeerde later naar eigen draaglast de lening moesten terug betalen. Zoals ik net al aangaf, is het hoger onderwijs niet synoniem aan
een goed betaalde baan. Wanneer de studietoelage met deze reden is omgezet in een lening, is het opmerkelijk dat de volgende stap volgens
mevrouw Dijksma moet zijn dat mensen die voor ouderschap kiezen of misschien het klooster intrekken, toch hun lening moeten terug
betalen. Dijksma’s maatschappij heeft zo niks aan hun ‘talent’.

De samenleving mag dan wel in talent investeren middels onderwijs, maar wanneer een eventuele baan niet ligt in de lijn van de studie, is er
dan wél sprake van wederkerigheid? Krijgt de samenleving dan wél terug waarin ze geïnvesteerd heeft? In financieel opzicht wel, maar niet
in de vorm van het ontwikkelde talent zelf. Wanneer Dijksma’s argument opgaat, namelijk de investering in talent, dan moet ze er ook op
toezien dat de samenleving wel het ontwikkelde talent van gepast werk voorziet en niet iets heel anders. Of mag dat ook van haar:
geschiedenis studeren en vuilnisman worden? Of zou ze dit, net als ik, een absurd gevolg van haar argument vinden waaruit gelijk blijkt dat
het haar helemaal niet te doen is om talent en opgedane kennis? Als het haar om het ontwikkelde talent te doen is, dan zorgt ze ook maar
dat iedere afgestudeerde ‘iets’ vindt in zijn vakgebied. Dan heeft de maatschappij iets aan de ontwikkelde talenten en kennis en kan de
persoon in kwestie in alle rust de lening afbetalen. Maar, uiteraard is het haar niet werkelijk om het talent te doen, noch om de in de studie
opgedane kennis, maar alleen om het geld.

Want voor een groot deel van de afgestudeerden bij bijvoorbeeld geschiedenis, maar ook vele andere studies is het niet vreemd om
genoegen te moeten nemen met iets ‘heel anders’. Bij bedrijfskundigen, juristen en medici ligt dat niet zo moeilijk. De meeste van de
afgestudeerden in deze studies hebben weinig problemen met het vinden van een passende baan, en, wanneer ze kiezen voor een gezin zijn
de financiële mogelijkheden er meestal ook wel.

Kennelijk is voor Dijksma deelname aan de economie de enige legale bijdrage aan de samenleving. Een constructieve bijdrage aan het
voortbestaan van de samenleving door een gezin te verzorgen en daar optimaal in willen investeren is blijkbaar iets wat hooguit ‘lof’
verdient, maar dat vanuit de overheid alleen maar met kinderopvang moet worden beloond. Dit ziet Dijksma als steuntje in de rug voor de
moeders. Het is zo langzamerhand wel duidelijk dat knutselconstructies voor de kinderopvang niet bepaald een constructieve bijdrage aan
een gezond gezin zijn. In plaats van investeringen in een waardeloze managerscultuur zou de overheid wel wat meer mogen investeren in
het bijeenhouden van het gezinnen. Want als er een instituut van de samenleving investering en restauratie nodig heeft, dan is het de familie
wel.

Deze voorgestelde maatregel van Dijksma is de zoveelste afbraakpoging in de afgelopen decennia van familie en het gezin. Zo
langzamerhand is wel duidelijk dat een gezonde opvoeding niet tot stand komt in de kinderopvang, maar alleen in een compleet
familieverband. En zo langzamerhand is ook wel duidelijk dat het de overheid niet te doen is om investering in onderwijs zonder meer,
maar in het winstgevend maken van de studiefinanciering. Het lijkt wel alsof het hoger onderwijs halfslachtig geprivatiseerd wordt. Nu
gaat het nooit goed wanneer een non-profit instituut moet doen alsof ze geprivatiseerd is, maar ook niet wanneer ze moet doen alsof het
heel slecht is dat ze geld kost. Door al dit gerommel met alles wat er in het hoger onderwijs besloten en veranderd wordt, wil ik voorstellen
om dan ook maar gelijk het universitaire onderwijs consequent te hervormen, deels naar Amerikaans model. Universiteiten moeten
gesponsord worden en dat geldt ook voor de studenten die allerlei studiebeurzen kunnen krijgen. Privé-fondsen en overheidsfondsen zorgen
voor studiebeurzen. Bepaalde bedrijven sponsoren bepaalde studies. Studies die weinig winstgevend zijn voor het bedrijfsleven worden door
een kleine buffer van de overheid opgevangen. Zo voorkomen we tegelijk de leegloop van academisch onderzoekstalent naar Amerikaanse
universiteiten. Minder winstgevende studies moeten met een helder en duidelijk overheidsbeleid behouden worden.

Sharon Dijksma! Wanneer het gaat om geld, zeg dat dan, en schuif het verhaal niet af op ‘ontwikkelen van talent en toepassen van
opgedane kennis’. En wanneer we het er allebei over eens zijn dat het hoger onderwijs een draak van een systeem is, wees dan dapper, bijt
op de tanden en hervorm het hele hoger onderwijs! En pak ook direct de ondoorzichtige brei van machtige bestuursmannetjes aan, die de
hele universitaire wereld in hun zak hebben

Lees verder...

zaterdag 18 maart 2006

FUNWORLD

bitterlemon.eu - FUNWORLD

een column, door Tom Zwitser, 18 maart 2006

Waar jongens als Harry Mulish in hun jeugd Chemische Jongensclubs oprichten, had ik in die jaren het lumineuze idee om een politieke
partij op te richten genaamd Groningen Overdekt. Het leek me schitterend; altijd 25 graden, nooit meer regen, behalve uit de tuinsproeier.
Je kunt mensen buiten de stad houden die er niks te zoeken hebben etc. Van die partij, noch van het overdekte paradijs is het ooit gekomen.
Ik heb leren leven in een Groningen in de open lucht. Maar niet overal ter wereld is men tot leven in de open lucht in staat.

In de Canadese stad Edmonton staat het grootste volledig overdekte winkelcentrum ter wereld. Dit winkelcentrum biedt onderdak aan
meer dan 500 winkels, aan het Waterpark, een golfbad met 10 glijbanen, pretpark Galaxy Land, een groot indoor activiteitenpark, een
ijsbaan voor ijshockey en kunstrijden, het Fantasylandhotel met verschillende themakamers, en tot slot een bioscoop.

In het winkelcentrum wordt drugs gedeald en is er een ondergronds circuit annex bende, genaamde de Mallrats. Sommigen van deze rats
kunnen in tijden van grote nood naar de inpandige kerk van het winkelcentrum. Daar worden ze opgevangen, ‘bekeerd’ en van hun
verslaving afgeholpen. Tevens kan men in de kapel trouwen, terwijl men in het hotel of het pretpark de bruiloft viert. In het winkelcentrum
brengen ook grote kolonies ouderen van dagen de tijd door. Ze zouden er graag willen wonen, al is dat (nog) niet mogelijk. Veel ouderen
komen af op de aangename temperatuur en ze kunnen er kilometers lopen om in de beweging te blijven.

Zo’n complete wereld onder een dak en achter deuren is in Nederland niet denkbaar. Althans het schijnt niet denkbaar te zijn. Want waar
men elders in de wereld aan toe is, daar denkt men ook in Nederland over na. De wereld van 24 uur shoppen temidden van alle attracties in
een immer behaaglijke temperatuur is ook in Nederland niet ver meer. Voor de wet mag elke stad die zich een “toeristische
aantrekkingskracht” toedicht elke zondag de deuren open houden. En net als in de West-Edmonton Mall gaan hier attractie en winkelen
hand in hand. Deze verbintenis is bij wet vastgelegd. Waar we ons “toeristisch” kunnen vermaken, daar moeten ook alle middenstanders
komen opdraven, wanneer ze hun handel aan de gang willen houden.

Een stad als Almere heeft zich, om de winkels op zondag open te krijgen, op die “toeristische aantrekkingskracht” beroepen omdat ze
volgens zichzelf beschikken over ‘hotels en campings, jachthavens en stranden, natuurschoon, musea en moderne stadsarchitectuur’. Het
verbaast me nog dat ze de winkels zelf niet hebben aangevoerd als een toeristische aantrekkingskracht. Me dunkt, als Almere toeristisch
aantrekkelijk is, wat betekent deze wet dan nog? Dat betekent niet dat de winkels onder zeer bepaalde voorwaarden op zondag open
mogen, nee, dat betekent juist, dat winkels onder zeer bepaalde voorwaarden gesloten moeten blijven. En nee, dat betekent niet dat er
bepaalde plaatsen zijn waar we ons mogelijk kunnen amuseren, maar dat betekent dat onze pret- en amusementscultuur in principe elke
denkbare plaats in beslag kan nemen. Het moet overal kunnen, en is het ergens niet, dan is dat een uitzondering, een abnormaliteit. De
agressie van deze cultuur is grenzeloos. Het erkent geen grenzen.

Het gaat een beetje ver om te concluderen dat het dus in een Edmontonse toestand uitmond, maar het geeft zeker te denken dat hier
dezelfde combinatie naar voren komt. En het is überhaupt merkwaardig dat in een land waar de laatste decennia en heuse pretcultuur is
ontstaan, daar ook een heuse shoppingcultuur bestaat. Want de grote nadelen van die laatste hebben voor een nieuw fenomeen gezorgd:
een Nederlands instituut voor koopverslaving. Men onderzoekt en behandelt in dit instituut koopverslaafden. Is 2 tot 8 procent van de
Amerikanen koopverslaafd, men gaat ervan uit dat in Nederland evenveel mensen koopverslaafd zijn. Deze getallen zijn geen
randverschijnselen meer. Het is inherent aan deze cultuur. Voor shopaholics is winkelen niet meer een pleziertje, maar een impuls die niet
te weerstaan is. Schulden, depressies, relatieproblemen en koopobsessies zijn het gevolg. Met andere woorden: wanneer de pret en
amusementscultuur elke denkbare plaats in de wereld in beslag kan nemen, dan neemt het ook de mens zelf in beslag.

Wanneer de hele wereld meer en meer gereduceerd wordt tot shoppen en amusement, dan komt er vanzelf een moment dat er een wereld
gecreëerd wordt waarin we slechts nog kunnen shoppen en ons kunnen amuseren in ontelbare attracties. Voor de momenten dat we elke
attractie al een keer gehad hebben, kunnen we onze pretverveling even van ons afzetten in de kapel, en daar tegelijk de nadelige
verschijnselen aanpakken; we kijken eens vergevingsgezind naar de pasbekeerde mallrat en kopen vervolgens ons schuldgevoel af met een
bijdrage in de collectebus of laten die via creditcard afschrijven. Het is allemaal net echt, want wat mist er nog?

Lees verder...

zondag 22 januari 2006

KNIELEN VOOR HET NIETS

Boekrecensie 22 januari 2006 * Jan Siebelink: Knielen op
een bed violen

door Tom Zwitser, over Jan Siebelink en de Algemene Nederlandse Toestand van Onbenul en (Historische) Onverschilligheid

Naast alle positieve recensies over Jan Siebelinks ‘bestseller’ wordt het wellicht tijd voor een kritische beschouwing van alle stempels die het
boek nu al gekregen heeft. Knielen op een bed violen wordt veronderstelt een roman te zijn die de Nederlandse naoorlogse pluriforme
moraal in alle hevigheid tegenover het Oud-Nederlandse Calvinisme stelt.

In het begin van het boek wordt hoofdpersoon Hans gesitueerd in een vooroorlogs gezin met een kerkelijke hervormde moeder en een
vader die vervalt in een zwart sektarisme waarvan Hans vooral de gevolgen merkt door bijzondere lijfelijke straffen die hem bovenal
mentaal doen knakken. Of het volgens Siebelink werkelijk calvinisme is, wordt niet duidelijk. Wel duidelijk is de vernietiging die er vanuit
gaat. Het gezin waarvan de moeder nog tijdens de vroege jeugd van Hans overlijdt, valt ten prooi aan de wraakzuchtige
rechtvaardigheidsopvatting van de vader. Op jonge leeftijd loopt Hans weg en begint in Den Haag als leerling op een kwekerij. Tot ook hij
een gezin heeft en een eigen bedrijfje onder de rook van Arnhem.

Niet lang daarna wordt Hans te midden van alle gezwoeg op zijn schamele bloemkwekerij sluipenderwijs opgeëist door een oude vriend die
hem de ware zin van het geloof komt verkondigen temidden van zijn ellende. Hoop in bange dagen kan hij goed gebruiken en hij geeft zich
eraan over, tot tenslotte zijn gezin er kapot aan gaat. Na een verzoeningspoging door zijn oudste zoon die hem en zijn vrouw weer bij
elkaar brengen, beëindigt hij rigoureus zijn huiselijke samenkomsten op zondag en de contacten met enkele ware gelovigen, waarvan de
levensvreugde over het algemeen niet afdruipt.

Het zij gezegd dat de godsdienstfanaten in dit boek zich als de ware gelovigen presenteren waar de kerken leugenachtige instituties zijn
geworden. ‘Het ware heil ligt buiten de kerken’, aldus een gezegende voorganger.

Laat dit even genoeg zijn. Wat naar voren komt is de dreiging die van dit geloof uitgaat. Hans is bang voor de verdoemenis. En ook voor
de eeuwige verdoemenis van zijn ‘huis’. Nu hoeft het leven niet direct een pleziertje te zijn, maar het door angst voor de eeuwige hel laten
beheersen en Gods oordeel over je gezin verwachten voor iedere vloek of spotternij die er onder je dak wordt uitgesproken (door een
puberende zoon); is dat het Oud-Hollandse calvinisme? Is dat nu slechts de extreme vorm van het 16e eeuwse calvinisme ‘waar we
inmiddels gelukkig niks meer mee van doen hebben’?

Nee, heren en dames seculiere, a-historische intellectuelen, dat is geen calvinisme. Dat is godsdienstwaanzin veroorzaakt door nihilistische
angst, een allesvernietigend gevoel door God verlaten te zijn. Het is de religieuze ervaring van de dood van God. Deze sektarische religie in
Siebelinks boek is in wezen zo modern en zo humanistisch als het maar zijn kan. Het is niets meer dan een tot waanzin geworden
moderniteit, die zich meester heeft gemaakt van het calvinisme. Verlichting, rationalisme en romantiek hebben het calvinisme de das om
gedaan, niet de zwartgalligheid van het calvinisme zelf. Ik zou bijna zeggen; zwartgalligheid en calvinisme zijn, in het geval ze naast elkaar
gezet worden, een contradictio in terminis. Het calvinisme dat in dit boek gepresenteerd wordt is doortrokken van nihilisme; van de
afwezigheid van God; van de breuk tussen het goddelijke en menselijke. Het is het resultaat van het terugbrengen van een geschapen
werkelijkheid tot niets meer dan natuurwetenschappelijke relaties.

Een wetenschapper zou zeggen: en terecht, ruim baan voor de feiten, na al die millennia van sprookjes en mythen; ‘de mens moet maar
eens volwassen worden’.

Een echte calvinist zou zeggen; wanneer de dingen teruggebracht worden tot enkel relaties die in wetten vastegelegd worden, erkennen we
niet meer de dingen om ons heen, maar alleen de manier waarop ze zich tot elkaar verhouden. We erkennen niet meer onze medemens,
maar alleen de manier waarop we ons tot elkaar verhouden. Of: de manier waarop we ons met elkaar moeten onderhouden.

Wanneer we de mens terugbrengen tot psychisch-fysische analyses, of met behulp daarvan de mens proberen te doorgronden en te
determineren, proberen we een soort balans te vinden tussen de rechten en plichten ten opzichte van elkaar. We proberen elkaar niet zozeer
te begrijpen, maar te fixeren. Datgene dat niet begrepen wordt, wordt afgesneden, en diegene die dat niet kan, valt buiten het sociale, is
asociaal, onaangepast: hij is niet in staat met ons in relatie te staan. Er is met hem geen relatie mogelijk, omdat niet vastgelegd kan
worden hoe deze relatie in elkaar steekt. Elke relatie die niet middels formules (formele logisch structuur) vastgelegd kan worden,
erkennen we niet meer, of we moeten haar nog ontdekken. Dit formele kan alleen zichzelf bewijzen, ze bewijst haar eigen
vooronderstellingen en daar valt het (nog-)niet-logische formeel - en dus bewijsbaar - buiten.

Siebelinks poging om het calvinisme in een extreme vorm te beschrijven, is een poging om haar wetmatigheden, haar formele structuren
bloot te leggen. En misschien geldt dit nog niet zozeer voor hem; maar in de boekbesprekingen wordt dit wel duidelijk gedaan. Hans lijkt
het tegendeel van de moderne naoorlogse moraal te zijn, maar is in deze blote tegenstelling tussen hem en zijn omgeving in wezen zelf het
resultaat van dit wetenschappelijke wereldbeeld en van de breuk tussen het goddelijke en het menselijke. Immers, Hans bereikt het
goddelijke niet meer en verliest daarmee het menselijke.

Siebelinks boek gaat niet over godsdienst maar over de angst die de moderne tijd over de mens heeft afgeroepen en die men her en der
geregeld tegenkomt: de breuk met God, de wereld en onszelf. Het gaat niet zozeer over godsdienst en religieus extremisme, maar meer
over de keerzijde van de moderniteit. Het heeft in wezen niks met geloof te maken. Het heeft veel meer met ongeloof te maken.

Jan: Held of slachtoffer? Onze nationale schrijver met knuffelstatus.

Knielen op een bed violen is geen afscheid van domineesland zoals Elsbeth Etty ons doen wil geloven. Het is het onderogen komen van een
verextremiseerd liberalisme. Ik durf de stelling aan dat de godsdienstwaanzin van Hans niet zozeer op God geconcentreerd is, als wel op
zijn angsten voor de straffen die hij op zal lopen als hij niet aan alle verwachtingspatronen voldoet.

Heel simpel is nu al te zien in de maatschappij dat uitzonderingen steeds minder geaccepteerd worden. Alles wat buiten de sociale
structuren valt, valt ook buiten het wederzijdse begrip. Het is niet meer iets wat niet begrepen wordt, maar iets wat gewoonweg niet meer
getolereerd wordt. Uitzonderingen zíjn niet meer te tolereren. Het systeem dreigt te mislukken. Het vaart pas wel bij standaardisatie en
normering. Dit is de verlichting ten top.

Datgene wat duister blijft na herhaalde pogingen om het licht van de rede erop en erdoor te laten schijnen wordt genegeerd en hermetisch
uitgesloten. Het calvinisme zou dit nooit doen. Zelfs niet wanneer het in haar bestaan bedreigd wordt. Het duistere is met grote sympathie
aanwezig in het calvinisme. En met duister wordt niet bedoeld de zwartgalligheid, het demonische of de verdelgingsangst, maar daarmee
wordt het duistere van de dingen zelf bedoeld. Wanneer de dingen zijn weggerelativeerd en het overige (een nihilistisch niets) is gevangen in
formele structuren, is de angst gerechtvaardigd voor de volledige uitdelging die ook Hans vreest bij de minste of geringste verzoeking of
bespotting van God door zijn jongste zoon. De formele structuren die overblijven zijn immers niets. Het zijn niet de dingen zelf, laat staan,
datgene wat is. Het ware ding, het zijnde, is al verloren in het moderne leven. We leven temidden van relaties, als relaties. De rest wordt
genegeerd of getemd.

Siebelinks geloof van de voorvaderen, is niet het geloof van de mensen en de dingen, het is niet het geloof van de schepping in haar God en
goden. Het is het geloof in de moderniteit en haar uiterste consequentie. Het is de realiteit van de dode-godservaring, voor zover deze
ervaring reëel is. Het is de realiteit dat wij ons buiten de dingen hebben geplaatst. Daarom kunnen we God ook niet meer ervaren. Daarom
is God voor ons ook dood. Maar of hij werkelijk dood is, kunnen we niet weten. Dat kunnen we pas weer weten als we de dingen laten
terugkeren en we hen weer toestaan om zich tot ons te laten verhouden.

Maar moeten we ons dan uit de totalitaire formele structuren kunnen verplaatsen? Formele structuren zijn nuttig om de structuur zelf te
begrijpen, maar niet datgene wat de structuur draagt, noch datgene wat door de structuur met elkaar verbonden wordt. Dat fundament
begrijpen is niet formeel en logisch.

Het pleit zelfs niet voor de mensen die het boek lezen. Ik heb de eerste 150 bladzijden gelezen, maar werd er niet goed van en heb de laatste
100 bladzijden een dag later gelezen. Behalve de taalbehandeling, die matig maar niet slecht is, is het boek weinig menselijk. Goede
literatuur schijnt weer eens een staaltje zwartschrijverij te zijn. Waarom moet dat toch altijd. Kijk naar L. F. Celine, die deed dat al, maar
hij kon nog eindeloos aan de zinnen schaven. Hij kon nog zinnen maken die, hoe extreem alledaags ook, juist daarvan verheven bleken te
zijn, op de een of andere manier...

Waarom moet een boek over (ogenschijnlijk) calvinistische erfenissen zo middelmatig, geschreven worden? Ik verwacht geen dichterlijk of
verheven taalgebruik, maar wat minder lomp, wat beter lopende zinnen... was dat teveel gevraagd? Het is niet slecht, maar is het nu echt
zo geweldig als de recensies doen voorkomen?

Recensenten zouden de roman unaniem herkend hebben als grote literatuur... Mmm, behalve dat de aard van de literatuur alleen al
historisch onjuist herkend is, heeft het technisch gezien amper de kwaliteit van een boodschappenbriefje. Boodschappenbriefjes zijn niet je
van het, maar daar is nog een zekere cadans in te krijgen.

Ja, het boek gaat over geloof; erg actueel.., bovendien is onze historie doortrokken van geloof. Wederom ja! Gelukkig wel ja! Vergeten we
dat soms? Nogmaals ja! Ja, dat zijn we vergeten, gezien de blik waarmee we naar het door Siebelink gepresenteerde ‘geloof’ kijken. Een
aantal mensen heeft het boek net als ik moeten wegleggen omdat het ons naar de keel greep. Maar vervolgens komt dat door dit ‘geloof’.
Dit zogenaamde geloof legt beslag op mensen. Reden temeer om ons, bevrijd van alle autoriteit van geloof, op te maken voor een ‘liberale
en atheistische neutraliteit’. Verlosten! Geloof moeten we niet meer; en lees anders dit boek door, dan weten we weer waarom we het niet
meer moeten!

Beste lezer, dit boek gaat niet over geloof. Geloof gaat over vertrouwen, dit boek gaat over angst. Dodelijke angst. Geen angst is dodelijker
dan de angst voor het Niets. Geloof gaat over de vanzelfsprekendheden, niet over angsten die opspelen bij elke gedachte en bij elke
beweging van onze vingers die niet ‘den HEERE is toegewijd’ .

Angsten zijn daar waar we de werkelijke vertrouwensband met de ander, met Het Andere verloren hebben. We vertrouwen het pas als we
het kunnen controleren middels verwachtingspatronen en fysische wetten die werken. Waar is het werkelijke vertrouwen? Niet bij Siebelink,
niet bij de recensenten, niet bij de staat, niet bij de procesmanagers. Er is - nogmaals - pas ‘vertrouwen’ wanneer we volledig
gedetermineerd volgens wetenschappelijke modellen ons leven leven. Met SBS6 of Jan Siebelink, dat maakt niet uit, want werkelijk verschil
is er niet. Alleen een formeel verschil.

Naar aanleiding van:

Knielen op een bed violen; ISBN 9023416651, Bezige Bij, € 19.90.

Lees verder...