zaterdag 17 januari 2009

Het precedent (1) Rokende piraten

Enige tijd geleden vond Tweedekamerlid Esmee Wiegman van de Christen Unie dat het roken in alle auto’s verboden moest gaan worden. Het ging haar eigenlijk alleen om de auto’s waar kinderen bij in zitten, maar omdat dat heel moeilijk controleerbaar is, moeten alle automobilisten er maar aan geloven. Ze deed die uitspraak natuurlijk enige maanden na het rookverbod in de horeca, dat voor haar een precedent is voor een nog verdergaand rookverbod. Tegelijkertijd weet ze haar medegladiool en partijgenoot Tineke Huizinga op de post van Verkeer en Waterstaat. En die gaat over wat er wel en niet mag in, aan, op en om de auto. Ik neem kortom aan dat dit voorstelletje een een-tweetje is tussen Tineke en Esmee hetgeen aantoont hoe diep het precedent tegenwoordig gezonken is..


Want laten we eerlijk zijn: wanneer mevrouw Wiegman zo met de gezondheid van kinderen is begaan, laat ze dan helemaal niet meer in de auto zitten. De meeste auto’s rijden immers in colonne door malkanders gifgassen, staan overdag lang in file’s te ronken en zorgen zo in feite voor de meest ongezonde plaatsen waar je maar kunt komen. In plaats daarvan mogen zowel kinderen als volwassenen in de auto niet meer papa’s zware sjek inademen, maar alleen nog het zuivere aroma van alle gemengde uitlaatgassen. Wat nu als papa alleen nog sjek draait die het zuivere diesel uitlaatgas uitstoot? Mag papa dan wel weer roken, of alleen met katalysator?

Voor mij was haar voorstel de bevestiging van de klassieke regel dat de politiek volledig gevrijwaard moet blijven van moeders, want wanneer moeders de kans krijgen om over het hele volk te moederen dan verstikken ze ons binnen de kortste keren met allerlei te goedbedoelde maatregelen die ons leven nog veiliger en gezonder moeten maken. Laten moeders vooral hun ogen gericht houden op de eigenhandig gebaarde kinderen in plaats van deze te verlaten – bij oma droppen of in een creche stoppen – en vervolgens het hele volk te gaan bemoederen. Het soort moeders dat hiertoe in staat is, is niet alleen in staat om haar kinderen, maar ook het hele volk een oor aan te naaien. Waarvan acte, mevrouw Wiegman. Politiek is niet voor niets bedoeld voor vaders. Politiek leiderschap is vaderschap. Mevrouw Wiegman moet haar goede bedoelingen maar in haar eigen wigwam praktiseren en haar man moet sturing aan haar enthousiasme geven zodat huize Wiegman een prachtig modelgezin van de Christen Unie gaat worden.

Het gaat natuurlijk om het precedent dat hier aangegrepen wordt: een eventueel rookverbod begint in openbare gebouwen, daarna in de horeca, daarna in auto’s en daarna, omdat auto’s zelf zo ongezond als de tering zijn, mogen kinderen de auto niet meer in, mogen ze in de spitsuren ook niet meer buitenspelen, tenzij met gasmaskertjes op etc etc. Ziedaar het precedent. Moeders in de politiek grijpen ieder precedent aan om een stukje verder te gaan met verbieden en gebieden. Hun goedheid kent geen grenzen. Een goede vader ziet een gegeven wet niet als precedent, maar als grens. Hij gaat niet steeds verder en verder. Een moeder die steeds verder gaat kweekt ook kinderen die steeds verder gaan.

Het wonderlijke van de moeders in de politiek zijn zijzelf, want als het moederlijke zelf ter discussie staat, dan moet juist ieder precedent voorkomen worden. Dat blijkt deze week, nu Nederland een uitleveringsverzoek aan Denemarken heeft gedaan om vijf Somalische kapers die door een Deens marineschip zijn opgepakt nadat ze een poging hadden gedaan om een Nederlands koopvaardijschip te enteren. Ze moeten in Nederland berecht worden en hun straf uitzitten, maar wat gebeurt er daarna? De PVV ziet de bui al hangen en denkt dat ze een gratis verblijfsvergunning bij de uitgang van de gevangenis krijgen uitgereikt omdat er in Somalie oorlog is en je ze vanuit menselijk oogpunt niet kan retourneren. Dat mag niet van de wet. Die kapers hopen dus op een straf van minimaal zo'n acht jaar en ook dat er over acht jaar nog steeds oorlog is in Somalie. Dat is de garantie op een paspoort. Het lijkt verdacht veel op een beloning. Zowel voor de kapers als voor Somalie wanneer de situatie zich daar ooit zal stabiliseren: een massa raddraaiers zit in buitenlandse gevangenissen. Men hoeft ook na de straf niet meer naar hen om te kijken.

Het is een geval waarin de huidige vreemdelingenwet niet voorziet en PVV, VVD, CDA en PvdA zijn hier niet blij mee. Ze willen de wet aanpassen zodat uitzetting na uitzitting van de straf mogelijk wordt. Maar nu komt het; D66 en Groen Links willen dat niet. Mevrouw Naïma Azough van Groen Links wijst uitzetting van de hand. “als je mensen terugstuurt naar een land in oorlog, neem je moedwillig het risico dat hun iets overkomt. Nu gaat het om criminelen, maar de volgende keer misschien wel om vrouwen die het risico lopen gemarteld te worden.” Laat staan het allerergste: zwangere vrouwen en moeders! Voor alle duidelijkheid, ik citeer hier de Volkskrant die over het algemeen als betrouwbare bron beschouwd wordt, ook al gaat het om de meest infantiele onzin die ooit door kamerleden geproduceerd is.

Het gaat dus als volgt: er is oorlog in Somalie en dat land is zo volstrekt anarchistisch geworden dat daar al hele piratennesten gevestigd zijn die de Indische Oceaan teisteren. De piraten die zich daar voorts bezondigen aan Nederlandse schepen worden gevangen genomen om hier berecht te worden, maar wanneer ze vrij zijn mogen ze niet teruggestuurd worden, omdat ze een precedent dreigen te worden voor vrouwen die gemarteld dreigen te worden. Ik wil wel eens weten of alle buitenlandse oorlogsmisdadigers die na hun straf de scheveningse gevangenis komen uitwandelen, ook een paspoort in hun knapzak vinden? Als de vreemdelingenwet niet voorziet in Somalische kapers, dan vast ook niet in Joegoslavische oorlogsmisdadigers. Het is natuurlijk heel zielig als ze in het thuisland gelynchd worden. Of krijgen alleen de vrouwelijke oorlogsmisdadigsters een Nederlands paspoort? Vrouwen mogen natuurlijk nooit teruggestuurd worden. Mannen mogen pas worden teruggestuurd als zeker is dat er geen vrouwen worden teruggestuurd.

Met alle respect, maar kapers zijn geen oorlogsmisdadigers. Bij mijn weten schoot men vroeger slechts drie soorten misdadigers zonder vorm van proces dood: spionnen, veedieven en piraten. Vechtjassen daarentegen kwamen of in de oorlog om, of ze werden geëerd en gevreesd om hun moed. Het is een modern gotspe dat de grootste vechtjassen tegenwoordig levenslang achter slot en grendel zitten, terwijl kapers na een aantal jaren goede huisvesting in een westerse gevangenis ook nog beloond worden met een paspoort. D66 gaat nog verder; die partij wil dat de EU "alle ex-gedetineerden opvangt die niet meer naar eigen land terugkunnen". Ex-gedetineerden zijn terroristen uiteraard.

Er zit maar een ding op: om precedentwerking te voorkomen moeten alle kapers bij hun arrestatie per direct aan de haaien gevoerd worden (dat schrikt af) en moeten alle vrouwen per direct de politiek verlaten. Dat zal zowel hun als onze gezinnen ten goede komen en de nodige rust geven aan de mannen die zich weer als echte vaders moeten gedragen, zowel thuis als in de politiek. Pas dan is het precedent hersteld.

Lees verder...

zondag 4 januari 2009

Veiligheid Tot Heil des Volks

In tal van Europese landen worden de burgers overspoeld met elektronische datasystemen. In Nederland is er na een Elektronisch Kindvolgdossier (EKD), na een systeem rond de OpenbaarVervoer-chipkaart betreffende het openbaar vervoer, en na een database rond het rekeningrijden dat alle verkeersbewegingen van de burgers zal vastleggen, nu ook sprake van een EPD: een Elektronisch Patienten Dossier.


Een aantal weken geleden waren de media vol van de manier waarop de Nederlandse minister van Volksgezondheid Ab Klink zijn burgers toestond bezwaar te maken tegen het EPD, namelijk via de reguliere reclame die huis aan huis verspreid wordt. De burger krijgt een reclamefolder die men met kopie van pasoort of IDkaart terug moet sturen wil men geen gegevens in een landelijke database terugzien. Nu al horen we weinig meer van deze dwaasheid, maar maken media zich druk om het schaamhaar plus de uiterlijke kenmerken van de geslachtsorganen van de kinderen van de minister van jeugd en gezin, Andre Rouvoet, die ook in een kindvolgdossier, het EKD, moeten worden vastgelegd en door diezelfde minister is opgezet. Het gejokkebrok van de overheid en de onverschilligheid rond veiligheid met persoonsgegevens in het gros van de media ligt er weer dik boven op. De laatsten poken met regelmaat een nieuwsfeitje zo hoog op dat ze er een week later al niet meer op terug hoeven komen. Hype is over; op naar de volgende. Maar de problemen worden er niet minder op.

De zorgen rond alle dossiers waarin iedere burger in tal van opzichten geregistreerd moet worden, stapelen zich op. Iedere minister werkt wel aan een digitaal dossier voor burgers en randgroepen. Echter, toen een aantal weken geleden een alarmerende televisiedocumentaire werd uitgezonden over het kraken van creditcards door Russische maffia die de gegevens van mijn buurman voor vijf dollar op internet te koop aanbiedt, bleken er vrij weinig publieke figuren echt over na te gaan denken. Het ging namelijk over het stelen van identiteiten. En die identiteit is tegenwoordig een kwestie van nulletjes en eentjes. Nog sulliger was het optreden van de verkeersstaatssecretaris Tineke Huizinga over de OV-chipkaart. Haar dikke dossier over haar publieke onvermogen werd aangevuld met haar verzekering dat de bedrijven vaste draaiboeken hebben klaarliggen wanneer de OV-chipkaarten gekraakt worden. Het kraken en jatten van andermans gegevens staat voor haar al bijvoorbaat vast. Ze wil echter alleen toezien op ‘nauwkeurige procedures’. Dan moet ze maar eens bij de ING-bank navragen wat een bedrijf aan procedures en draaiboeken heeft wanneer persoonsgegevens gestolen worden: er is namelijk niets aan te doen en ze staan met de handen in het haar. Ze kunnen er hele afdelingen op zetten, en het de hackers en krakers bemoeilijken, maar ze kunnen mij mijn identiteit nooit garanderen, wat de klanten ook voor moois wordt voorgespiegeld. Ik heb dus liever geen enkele identiteit, maar dat mag ook weer niet van Tineke, André en Ab. Over mijzelf heb ik dus weinig te zeggen. Ik moet er een hebben, een digitale nog wel. Dan ben ik beter controleerbaar, meer vatbaar voor gerichte sturing van bovenaf en, zoals we zullen zien, beter af te persen op mijn verleden.

Het staat nu, net als met de OV chipkaart, al bijvoorbaat vast dat alle gegevens uit het EPD en EKD te koop zullen worden aangeboden door malafide organisaties uit het grijze circuit. Iedere hacker weet: alles wat een kwestie is van nulletjes en eentjes, is te kraken. En wanneer alle medische, psychiatrische en pedagogische gegevens van een persoon in een en hetzelfde dossier terecht komen wordt dat voor een bepaalde handelsgeest interessant. De organisaties uit het grijze circuit doen wat ze altijd doen: op illegale wijze aan informatie komen om deze aan belanghebbende organisaties te verkopen. Niet meer het witwassen van geld, maar het witwassen van informatie is core business geworden.

Degene die over mijn EPD beschikt of over dat van willekeurige welke andere Nederlander is machtiger dan God. Deze Laatste schrijft mijn dossier nog op basis van Eigen onderzoek, maar het EPD is samengesteld door tientallen schrijvers: hoeveel zullen er misschien in schrijven? Vier huisartsen, drie psychiaters, vijf psychotherapeuten, vier specialisten en verscheidene arts-assistenten die met hun zes studiejaren stuk voor stuk een eigen bijdrage mogen leveren aan mijn boek des levens. Daarin heeft een huisarts in opleiding of de achterdochtige kinderarts wellicht in een bijzinnetje de verdenking kindermishandeling vermeld, heeft de longarts gezegd dat mijn longen dusdanig vernield zijn en ik de zestig niet haal en heeft zelfs ooit nog een vage homeopatische arts iets aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat ik waarde hecht aan alternatieve geneeswijzen en vermelden allerlei therapeuten mijn moeilijkheden met geloofskwesties, obsessies en verdere zaken waardoor ik als elektronische patiënt wel door het leven getekend zal zijn. Als ze al niet letterlijk mijn leven beschrijven in dat dossier, dan zijn hun opmerkingen wel bepalend voor de rest van mijn leven. Allerlei specialisten die mij met een paar pennenstreken voor het leven tekenen en me in allerlei risicoanalyses bijvoorbaat uitsluiten van bepaalde bedrijfsprofielen, imago’s hypotheek- en verzekeringsproducten, en een goede potentiele echtgenote, die uit loutere nieuwsgierigheid van tevoren even mijn dossier raadpleegt en subiet voor een huwelijk terugschrikt. Wie schrikt er niet als hij in hoge concentratie een verslag van alle mislukkingen en ziektes van zijn eigen leven terugleest? Het dossier bevat geen gezonde feiten noch goede daden en deugden. Het is zogezegd geen eerlijke balans, maar bevat alleen de fysieke en mentale tekortkomingen. Ik mag geen enkele fout maken en ook mijn ouders niet. Zelfs mijn nageslacht mag tegenover deze pennenlikkers geen onvertogen of onzinnig woord laten vallen want alles wordt geregistreerd. Ik had op dertienjarige leeftijd niet uit pure rebellie tegen een leerkracht mogen zeggen dat mijn moeder mij lekker puh iedere ochtend even met de zweep geeft. Ieder vermoeden mag genoteerd worden. Dit klinkt overdreven, maar het is een zeer reële verwachting.

Ik mag ook geen moeilijke puber zijn geweest want dat sluit mij wellicht uit van een opleiding aan een hoogaangeschreven University College. Alle informatie heeft wel een zekere waarde voor bepaalde organisaties. Of het nu SOA testen of antidepressiva zijn of andere genoten ‘zorg’. Wellicht is de informatie niet een probleem om ergens binnen te komen of producten aan te schaffen, maar wordt die informatie in aanvullende voorwaarden gebruikt om producten duurder te maken. Dat heet persoonlijk risicoanalyse op maat. De keuze voor een werving- en selectiebureau om zelfstandig onderzoek naar een kandidaat te doen, of een oordeel te vellen op basis van een EPD dat voor vijf dollar uit Rusland komt, is gemakkelijk. Eigen onderzoek is tig keer duurder – en beperkter.

Ik mag dus geen fouten meer maken, maar degenen die in dat dossier aan mijn levensverhaal schrijven kunnen zich elke foute inschatting permitteren, want de enige die daarop wordt aangekeken ben ik zelf. Het zal onmogelijk worden om hun fouten volledig uit mijn dossier te krijgen al wordt mij beloofd dat ik altijd mijn dossier moet kunnen inzien en bepaalde informatie moet kunnen wissen. Maar hun missers zijn nog niet eens het grootste probleem. De grootste fout van dit soort dossiers is nog dat mensen geen oprechte kansen meer krijgen omdat eerdere verprutste kansen niet vergeten kunnen worden. Het vroegere leven van trial en error (het leven met vallen en opstaan) wordt geruisloos ingewisseld voor een leven van error en remember. Het hele verleden is direct oproepbaar en wordt niet meer vervaagd in de herinnering, laat staan gewist. Dat laatste alleen per abuis natuurlijk; weg identiteit. Wie geen dossier bezit bestaat niet meer. Wie nu dus bezwaar maakt tegen het uitleveren van zijn gegevens aan het EPD, zal dat later merken: “wij konden weinig gegevens over u krijgen en dat is verdacht.” De baan, verzekering of zorg wordt wegens te weinig ‘voorinformatie’ geweigerd. Hebben ze dat dossier wel, dan wordt bij iedere nieuwe kans vorige fouten en falen als risico meegenomen. En wie faalt er nu niet? Wordt mij nog een kans aangeboden of toch maar niet? Ergens met een schone lei beginnen is er niet meer bij. Het verleden laten rusten kan niet, want altijd is er dan weer de herhaling van zaken die altijd herhaald worden en waardoor mijn leven blijft ronddraaien in een paar opmerkingen van mensen die ‘verstand’ van mijn leven hadden en die in een dossier staan, maar die ik niet meer in staat ben die te overstijgen.

Iemands levensverhaal vastleggen en daarmee zijn leven ook vooruit bestemmen vereist meer dan een studie geneeskunde, psychologie of sociologie en ook meer dan veel levenservaring. Het predestineren werd in het verleden alleen aan God overgelaten en dat moet ook maar zo blijven om nog te kunnen blijven geloven in de wilskracht van de burgers. Om gezond te kunnen handelen, is een recht op anoniem falen noodzakelijk. Het is zeker niet de bedoeling dat de staat en/of de maffia – het verschil wordt steeds vager in deze dossierwoede – een soort predestinatie-instituut wordt waarbij zij door de complexe ongrijpbaarheid waarin dossiers tot stand komen, burgers gaat uitverkiezen tot het heil van het volk of verdoemen tot de modderpoel van mislukkingen die we als volksmassa volgens hen in feite al zijn.

Lees verder...

zondag 30 november 2008

Doorgeslagen Christendom?

In de Maand van de Spiritualiteit, georganiseerd door het Nederlandse dagblad Trouw dat zich richt op vrijzinnige veertig-plus vrouwen met veel vrije tijd, de Katholieke Radio Omroep en christelijke uitgeverij Ten Have ligt vanaf de eerste dag de nadruk op de godsdiensten en specifiek op de rol van de kerken. Zoals zo vaak leidt praten over spiritualiteit uiteindelijk tot een berisping aan het adres van de orthodoxie, al dan niet via een aantal omwegen. Zo ook nu.
De eerste omweg is de filosoof Coen Simon die in de schijnwerpers staat vanwege zijn kritische boek over het individuele spiritualisme, Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden. De overgang van de kritiek op de spiritualiteit naar een stevig verwijt aan de kerken wordt met verve door de atheïst Herman Vuijsje voor zijn rekening genomen. Hij flirt wel vaker met de klassieke moraal en mag in Trouw en de Bergkerk te Amersfoort de kerken toespreken. In een eenzijdig gevoerd functioneringsgesprek zet hij de kerken aan tot een donderpreekje zo nu en dan. Hij vindt dat de mensen te weinig vermaand worden en daar ziet hij voor de kerken een taak weggelegd. Wel ja, daar zijn de mensen wel aan toe. Maar van kritiek alleen kan men niet leven, waarvan acte.

Primus

De kritiek van Herman Vuijsje is niet alleen terecht, maar nog veel te beperkt. Het Nederlandse christendom zou volgens hem op bepaalde punten zijn doorgeslagen maar geldt dat niet ten aanzien van heel het Nederlandse protestantisme? De wat hoogmoedige jovialiteit achter deze uitspraak is schijn. Men kan immers zeggen dat doorslaan op bepaalde punten (wat hetzelfde is als een heel geloof funderen op een bepaald punt – solageloof) uit de aard van het protestantisme voortvloeit: puritanisme, evangelicalisme en het individuele spiritualisme zijn haar kinderen, maar ook het liberalisme komt uit haar voort.

De Reformatie deelt met de Islam en het liberalisme hetgeen Peter Sloterdijk in zijn jongst vertaalde boek, Het heilig vuur, noemt ‘de gedachte een correctie te zijn in het proces van de monotheïstisch openbaring’. De correctie vindt altijd plaats vanuit een bepaald Sola, dat de rest van de traditie, geschriften en de schepping onder zware curatele stelt. Met Sloterdijk kan men zeggen dat iedere reformistische godsdienst niet synchroon mét, maar als een tweede werkelijkheid áchter de werkelijkheid aanloopt om deze voortdurend te corrigeren. Ze is een extra slinger aan een uurwerk die de klok van de tijd nog een stukje sneller wil laten tikken.

Peter Sloterdijk heeft in vroeg werk als Eurotaoïsme al laten zien dat mechanismen in onze westerse cultuur, zoals deze tweede slinger aan een uurwerk – de vergelijking is voor mijn rekening – in feite het uurwerk op hol laten slaan, of juist de zwiep van de eerste slinger neutraliseren waardoor het klokje helemaal niet meer tikt en de tijd – en daarmee de geschiedenis – stil komt te staan. Over correctie gesproken.

Het op hol slaan van de geschiedenis om haar uiteindelijke stilstand te bereiken is het grootste thema van de afgelopen twee decennia – waarover meer onder punt drie – hetgeen terecht is. Het protestantisme heeft in de afgelopen vijfhonderd jaar laten zien dat ze niets anders kan en wil zijn dan de voortdurende en eeuwige correctie op het grote boze Rome. Telkens hangt het protestantisme weer andere motieven aan om Rome aan te vallen. De motieven zijn al zo vaak met zichzelf in tegenspraak geweest dat er inmiddels geen touw meer aan vast te knopen is. Het liberalisme heeft deze versnelde klokslag in feite overgenomen om de klok uiteindelijk in stilstaande positie te kunnen krijgen. Beide doen ook niet hun best om meer dan correctie te zijn, maar kunnen dat ook niet.

Het gewone tikken van de klok zoals die in vele huiskamers en op vele dorpspleinen duizend jaar geklonken heeft en het gewone leven dat zich daar rondom afspeelde, begint ons aan twee kanten te ontglippen: zowel in het zichzelf opvoerend protestantisme en spiritualisme waar hype na hype de mensen blijvend activeert, als in het verstarrende liberalisme dat alle levensdynamiek uitsluit. Het liberalisme mag gerust beschouwd worden als de meest ultieme ‘laatste monotheïstische openbaring’ aller tijden, namelijk die van de dood van God. Deze laatste openbaring ligt als een almachtig Sola over onze tijd maar belichaamt tegelijkertijd het einde van de tijd. Gods openbaring stopt niet alleen met zijn sterven, maar ook de wat zurige correcties daarop. De liberale paradox is dat het liberalisme als laatste van het laatste een eigen eeuwigheid wil creëren, terwijl ze vergeet dat ze eigenlijk niets meer is dan een van de vele correcties. Hoe liberaal het protestantisme ten opzichte hiervan geworden is blijkt uit de toenemende aandacht van protestantse theologen voor wat wel genoemd wordt de ‘zingeving na de dood van God’, en vervolgens door Karl Barth in het dualistische dogma van Gods absolute transcendentie in de leer is ingepast, welke natuurlijk de ontkenning is van iedere transcendentie.

Secundus

Het gevaar van het op hol geslagen klokje illustreerde Umberto Eco onlangs met het antwoord dat de pianist Arthur Rubinstein gaf op de vraag of hij in God geloofde. Hij zei: ‘nee, ik geloof niet in God. Ik geloof in iets groters’. God is niet alleen een inflatoir begrip geworden, maar er is een nieuw absolutisme voor in de plaats gekomen dat zich kan permitteren te zeggen dat ze groter is dan al het andere, zonder het ooit te hoeven invullen. Sterker nog: ze kan zich niet anders handhaven. Ze komt altijd morgen en nooit vandaag, laat staan dat ze er al zesduizend jaar is, maar men gelooft schijnbaar liever in het nog niet ingevulde geloof van morgen dan in een concrete Kerk met alle tekortkomingen en zegeningen. Eco constateert dat we meer van God en de godsdienst eisen dan waar de christelijke godsdiensten in kunnen voorzien. Maar omdat dat ‘meer’ van geen enkele kant gevuld wordt en noodzakelijk leeg blijft, wordt dat vooral ingevuld met eigen angsten: ‘De zogenaamde occulte wetenschappen openbaren geen geheimen. Ze beloven alleen dat er een geheim is dat alles verklaart en rechtvaardigt. Het grote voordeel hiervan is dat het een ieder toestaat om dit lege geheim te vullen met eigen angst en hoop (...) – de meest infantiele occulte fantasieën’ Dit loopt uit op Da Vinci-codes en boeken over pseudo-kabbalisme, rozenkruisers, tempeliers et cetera.

Men gelooft nu liever ieder nieuw boek en iedere nieuwe theorie totdat er weer een andere verschijnt, dan in een kerk, een God, de paus die op een duizenden jaren oude traditie staan, op nog oudere gecanoniseerde geschriften en een eenheid van leer, leven en schepping kennen. Spiritualisme is in feite het resultaat van vijf eeuwen protestantse versnippering waarin iedereen eigen theoloogje is gaan spelen en uiteindelijk alles zelf wel invult, niet met theologie maar met infantiele emoties.

Ook al gelooft men nu steeds in iets anders, het is niets anders dan een reformisme, een correctie op de bestaande monotheïstisch openbaring. Het verschil tussen dit spiritualisme en het liberalisme is letterlijk onzichtbaar: datgene wat groter is dan God wordt steeds groter, maar ook steeds leger en doodser. Eco haalt een citaat aan – de man aan wie deze zin gewoonlijk wordt toegeschreven heeft hem niet geschreven: ‘Wanneer iemand ophoudt in God te geloven, gelooft hij niet in niets. Hij gelooft in alles.’ Het wezen van het ietsisme is dat het niet ingevuld mag worden en dat men daarom voortdurend in alles moet geloven om maar niet in God en Kerk te hoeven geloven.

Tertius

Het atheïsme van Vuijsje heeft enigszins de schijn-tegen over zich afgeroepen. In de laatste eeuwen waarin zij God dood verklaarde en zich daarmee als allerlaatste correctie op de monotheïstische openbaring presenteerde, gaf ze de kerk eerst het deksel op de neus en heeft decennia lang de scheiding van kerk en staat op allerhande gebied tot stand gebracht en deze scheiding eerst zalig en daarna heilig verklaard. Nu die heilige scheiding er is en iedere religieuze partij wordt gekeurd op de eisen die de staat stelt (zie de SGP subsidies in Nederland), blijkt ook wat deze scheiding precies is: namelijk de onderwerping van de kerk aan de staat. De heilige scheiding wijst de gelovige niet op God maar op de allerheiligste staat. Want als de staat het monopolie op de moraal in bezit heeft genomen maar deze bij nader inzien in de samenleving niet zelf in de hand kan houden, eist ze bij monde van Vuijsje ineens van de Kerk om dat weer te gaan doen terwijl ze de kerk de mogelijkheden daartoe heeft afgenomen. “Het hedendaagse Nederland heeft weer een flinke scheut Mozes nodig. En de kerk zou daarbij de voornaamste schenker moeten zijn”. Vooral de Katholieke kerk is in de woorden van Vuijsje ‘een huppelgeloof van we nemen d’r nog eentje’ geworden, maar hij verzwijgt hoe dat zo kon komen. Tegen wie moet de kerk voorts donderen? Tegen de mensen die Vuijsje liever tam en mak wil houden? Zo’n kerk valt zelf onder het Ministerie van Temming, moet een KvK nummer hebben en voert niet Gods wetten uit, maar de eisen van de staat – van Vuijsjes staat: een beetje meer regels, wetten, behaviorisme en daarmee basta. Niet het priesterschap als goddelijk ambt, maar de priester als staatsambtenaar. Vuijsje mag in een enkel stuk Jezus Christus herhaaldelijk beledigen en tegelijkertijd even de Kerk van Christus op haar maatschappelijke plicht wijzen. Hij neemt zichzelf het recht voor atheïst te zijn maar neemt de Kerk in dezelfde zin hun ‘vrijblijvende karakter van de hedendaagse geloofsbeleving’ kwalijk. Hij moet een haast absolute scheiding van moraal en geloof vooronderstellen om het geloof om haar absurditeit te mogen beledigen en de kerk op haar morele positie terecht te wijzen. De vraag rijst: wil Vuijsje wel de nieuwe Mozes waar hij om roept, of wil hij een nauwkeurig van tevoren geselecteerd scheutje Mozes dat de kerk mag (moet) schenken van de staat? Een Mozes die de berg afkomt met nieuwe geboden, niet van God maar van de staat. Kortom, een ontmande Mozes.

Het antwoord op deze vraag wordt door Vuijsje zelf gegeven wanneer hij blijk geeft weinig te hebben begrepen van Sloterdijks boek dat hij citeert, namelijk Woede en Tijd. Sloterdijk is daar namelijk in discussie met Fukuyama’s Het einde van de geschiedenis en de laatste mens uit 1992. Daarin gaat het over de toorn (thymos) en hij verwijt het gros van de Europese filosofen die de laatste zestien jaar over Fukuyama’s boek hebben gekwebbeld dat ze er niets van begrepen hebben. Ze aanvaarden het begrip thymos gewoonweg niet, netzo als Vuijsje in zijn tweede zin over Sloterdijks boek via de omweg van de publieke verontwaardiging direct de thymos afschrijft. Want hij ‘wil het liever niet over de thymos hebben’, maar vindt publieke verontwaardiging een beter woord. Hij begrijpt het dus niet. Zoals Sloterdijk in Woede en Tijd zegt dat de Europese filosofen niets van Fukuyama begrepen hebben en Derrida in het bijzonder niet, zo mag ook gezegd worden dat Vuijsje niets van Sloterdijk begrepen heeft om exact dezelfde reden.

Waarom moet men in deze contreien niets van Fukuyama en Sloterdijk? Waarom vertaalt en leest men alle boeken en artikelen van hen maar interpreteert ze hardnekkig en vasthoudend onjuist? Waarom begrijpt een Vuijsje niet dat thymos bij uitstek niet de door publiciteit gekanaliseerde verontwaardiging is, maar het zuivere eer- en schaamtegevoel zonder de filters van de media en allerlei therapeutiserende (reformerende) mechanismen. Bij Plato en C.S. Lewis is de thymos (of het hart) zelfs de brug tussen de rede en de begeerte, tussen hoofd en onderbuik. Het is juist het cruciale punt van Sloterdijk en Fukuyama dat de thymos gevangen wordt gehouden in een publieke opinie en andere reformistische mechanismen hetwelk onafzienbaar grote problemen in de samenleving veroorzaakt. Een kunstmatig primaat van publieke verontwaardiging zoals die in onze tijd geldt, sluit iedere thymos uit en dus ook iedere balans tussen rede en begeerte. Rede en begeerte zijn nu, zonder deze thymos, losgeslagen en ongefundeerde krachten in de maatschappij geworden. Mozes was de zachtmoedigste man op aarde, maar kon wel met het zwaard omgaan toen het volk het gouden beeld ging aanbidden. Een groot deel van het volk kwam om. Vuijsje wil deze Mozes natuurlijk niet terug, maar alleen het idee van regels en wetten. Hij hoopt dat de echo van Mozes weer voor even genoeg zal zijn. Mozes heeft een klank in zijn naam waar Vuijsje een gebiedend wijsje op kan fluiten.

Er is in deze tijd geen groter taboe dan de idee dat ieder mens beschikt over eigen eer- en schaamtegevoel en dat iemands eergevoel als het erop aan komt alleen te herstellen is door de geschondene zelf. Er is niets dat zozeer publieke woedeaanval na publieke woedeaanval over zich heen krijgt als de thymos zelf. Sloterdijk en Fukuyama brengen het taboe op de thymos in verband met het taboe op de man en de mannelijkheid. Eer, moed en toorn zijn voor hen bij uitstek mannelijk eigenschappen die in deze tijd aan de man onthouden worden, met desastreuze gevolgen.

In Nucleus van oktober 2008 schreef Christophe Buffin de Chosal dat de ontmanning tegenwoordig al op het schoolplein begint. De jongen krijgt geen gelegenheid meer om de deugd van de moed te oefenen op het schoolplein en moet in feite afstand doen van zijn eer voordat hij in staat wordt gesteld zich erin te oefenen. Men opereert in jeugdbendes en oefent zich zo in de lafheid. Zoals iedereen weet heeft Buffin de Chosal gelijk. De school is de bakermat van de vrouwelijke beschaving en vrouwelijke waarden. Maar het gekke is dat er in dit debat door alle deelnemers wordt gewezen op de desastreuze gevolgen hiervan, juist voor de vrouw. Zonder man met moed en eer weet men unaniem zeker dat er ook geen vrouw over zal blijven, laat staan een vrouwelijke beschaving. De zogenaamde vrouwelijke beschaving bestaat dus ook niet. Men krijgt enkel een geperverteerde vrouwelijkheid. Het zijn, kortom, de problemen waar Vuijsje weliswaar zo uitgebreid over anekdotiseert, maar die hij niet bij naam wil noemen en die in Europa hardnekkig niet bij name genoemd mogen worden. Het is voor ons en voor de heer Vuijsje niet alleen raadzaam om Sloterdijk te lezen zoals hij het schrijft, maar zich ook in het debat daaromheen te verdiepen want dat heeft diepe wortels in de twintigste eeuwse filosofie en sociologie – helaas vooral Angelsaksisch. Het doorgeslagen Christendom kan niet los worden gezien van de doorgeslagen staatsmacht. Wanneer men kritiek wil leveren op de maatschappij, volk en kerk, is het ook raadzaam om niet de rol van de bewust misinterpreterende lezer te spelen. Men moet wel heel selectief lezen, wil men het hierboven gestelde probleem bij deze auteurs niet als centraal te achterhalen. De boeken die elkaar citeren en een centrale rol in het debat spelen, zijn:

Plato, Politeia
G.K. Chesterton, Wat mankeert de wereld? (What's wrong with the world?) 1910
A. Huxley, Heerlijke nieuwe wereld, 1935
C.S. Lewis, De afschaffing van de mens, 1942
C. Lasch, De cultuur van het narcisme, 1978
C. Lasch, Haven in een harteloze wereld, 1980
F. Fukuyama, Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, 1992
P. Sloterdijk, Eurotaoïsme, 1989
P. Sloterdijk, Woede en Tijd, 2006
H.C. Mansfield, Mannelijkheid, 2006


Lees verder...

De Opinieversneller

Op 10 september j.l. werd in Genève de deeltjesversneller CERN in gebruik werd genomen, maar een andere versneller draaide toen reeds op volle toeren: de opinieversneller. Alle voorlopige testresultaten wijzen in eenzelfde richting: de identiteit van onze samenleving raakt door de versneller steeds sneller op drift. Door Erik van Goor en Tom Zwitser.

Wat is een identiteit waard in een tijd waarin alles los is komen te staan? Wat is de identiteit van een natie waard wanneer opinieversnellers er de handen naar uitsteken? Niet veel. Zoals menig Europees land is ook Nederland op zoek naar een identiteit. In opdracht van het kabinet formuleerde de WRR (Wetenschappelijke Raad Regeringsbeleid) de Nederlandse identiteit. Volgens de WRR – en het kabinet – ligt de Nederlandse identiteit besloten in de kernwaarden van de rechtsstaat, namelijk vrijheid, respect en tolerantie. En wee degene die hier vraagtekens bij plaatst.

Dat ondervond het ondertussen ter ziele gegane opinieblad Opinio. Dit blad waagde het een pastiche van een toespraak van premier Balkenende te plaatsen met daarin een boodschap die de premier volgens Opinio nooit zegt, maar wel zou moeten uitspreken. Namelijk de boodschap dat het christendom fundamenteel verschilt van de islam en dat dit gevolgen heeft voor het debat over de Nederlandse identiteit. Premier Balkenende was not amused over de satire en spande een rechtszaak aan tegen het blad die hij prompt verloor. De rechtszaak laat de kortsluiting zien tussen twee werelden. Namelijk de wereld van de opinieversnellers en die van de pastiche.

Opinieversneller

Na zo'n 80 jaar van nadenken en na zo'n 40 jaar van experimenteren kunnen we eindelijk zeggen dat de grote opinieversneller af is en volop in gebruik genomen is. In een grote ring van satellieten rond de aarde kunnen nu opinies worden versneld tot de opinie in zijn kleinste deeltje zichtbaar wordt. De motoren van deze versneller zijn de talloze satellieten die rond de aarde zweven. Opinieleiders hebben grote verwachtingen, maar sommige geleerden hebben er hun twijfels bij.

Onder het motto 'Geen leugen zo snel of we versnellen hem nog wel', werd de opinieversneller afgelopen week officieel geopend. Delen van de versneller waren al veel langer in gebruik, maar de afrondende fase werd afgelopen week afgesloten. Men verwacht dat men binnenkort opinies tot voorbij de snelheid van het licht kan brengen. Het zou de grootst denkbare snelheid zijn die er in het heelal bereikt kan worden en de opinie is daarmee de benaming 'lopend vuurtje' ook behoorlijk ontgroeid. Dan wordt echt duidelijk uit wat voor substantie opinies eigenlijk bestaan. Voor de meeste opinieleiders blijft dat namelijk nog steeds gissen. Er zijn verschillende theorieën over opgesteld, maar die stellen wetenschappelijk eigenlijk niets voor en zijn geen van allen houdbaar. Alhoewel men verwacht dat men snel duidelijkheid krijgt over de substantie van opinies, is het tegelijk een van de problemen die de opinieversneller met zich mee brengt.

Naast alle euforie zijn er namelijk ook enkele geleerden die waarschuwen dat deze publieke opinieversneller niet alleen opinies versnelt, maar dat ze alles versnelt en zo een zwart gat creëert waarin ons hele bestaan kan verdwijnen. Niet alleen vanwege de alles overtreffende snelheden die bereikt kunnen worden, maar vooral vanwege de gigantische overschatting van de opinie. Er zijn zelfs geleerden die stellen dat opinies an sich louter vernietigend kunnen werken.

In het verweer daarop is een staatscampagne ontstaan om de burger de juiste opinies bij te brengen. Impliciet erkent men weliswaar dat opinies ook negatief kunnen uitwerken, maar benadrukt men de verantwoordelijkheid van de politiek om 'de burger' te doordringen van "democratische waarden en verantwoordelijkheden die het fundament vormen van de samenleving". Daarom wordt er een handvest opgesteld waarin komt te staan dat opinievorming het belangrijkste fundament van de samenleving is.

Kritiek

Afgelopen woensdag antwoordde een geleerde daarop dat hij juist bang is voor de gevolgen van deze scheiding tussen opinie en samenleving: wanneer opinies als basis van de samenleving worden beschouwd en daarvoor een dienovereenkomstig experiment als de opinieversneller wordt opgestart, zal tijdens het experiment juist de samenleving vernietigd worden. Hij formuleerde de verwachting dat de opinieversneller uiteindelijk een samenlevingsversneller zal zijn. Men wil met de opinieversneller zogenaamd de structuren van de samenleving bestuderen, maar zodra men ertoe in staat zal zijn, is de samenleving zelf al verdwenen in de malle molen van de publieke opinie.

Hij onderbouwde zijn betoog met de resultaten die de publieke opinie de afgelopen 80 jaar tot nu toe heeft behaald: daarin heeft zij bepaalde zaken met vernietigend resultaat versneld. Bijvoorbeeld de kunsten. Zodra het principe van 'kunst om de kunst' tijdens het Interbellum gemeengoed werd in de kunstwereld, bleken de vernieuwingen zich op te stapelen. De eerste resultaten hiervan waren verbluffend, maar op een gegeven moment ging de kunstwereld zozeer om de vernieuwingen draaien, dat de kunst volledig leeg werd. Alle kunst was eruit gecentrifugeerd en de versnelling van vernieuwingen bleef als enige over. Nu heet alles kunst zolang het kunstje nog nooit eerder vertoond is. Maar wat er precies vertoond wordt, dat weet niemand meer.

Maar niet alleen de kunst, ook de cultuur staat aan deze centrifugale krachten van de versneller bloot: na de oorlog werd men in een steeds sneller tempo overweldigd door nieuwe en andere culturen dat alle eigenlijk cultuur is verdwenen uit ons dagelijks leven. Cultuur kan alleen nog de vorm van opinies aannemen – waarvan de substantie nog steeds betwijfeld wordt – maar staat niet meer in direct verband met ons dagelijkse leven.

De opinieversneller is dus een soort mechanisme dat voortdurend meningen vernieuwen moet. Het gaat niet om de inhoud van de meningen, maar het gaat erom dat ze in een steeds sneller tempo vervangen worden. Mensen hebben dus ook geen blijvende principes meer, maar krijgen de nieuwe inzichten van bovenaf aangeleverd. Voortschrijdend inzicht wordt een voorthollend inzicht en een voorthollend inzicht, wordt uiteindelijk een inzicht dat struikelt over andere inzichten. Niemand wil nog inzichten en niemand wil ergens nog een mening over hebben, laat staan principes. Einde samenleving.

De geleerde stelde openlijk de claims van de opinieleiders aan de kaak dat de opinievorming de samenleving van belangrijke inzichten voorziet. "Waarom" zei hij simpel, "zouden opinies belangrijke inzichten aanleveren, als er volgens hen ook verkeerde opinies bestaan? Als opinies inzichten aanleveren, waarom doen opinieleiders dan zoveel moeite om ons alleen in de volgens hen juiste opinies te doen geloven? Zij doen ons geloven dat er ook 'verkeerde opinies' bestaan, maar ik vermoed dat opinies veel eerder tegen de gebruikelijke inzichten zijn gekant. De samenleving mag zelf blijkbaar geen inzichten koesteren of krijgen, maar moet voortdurend de juiste meningen aangeleverd krijgen en aanhangen.”

Volgens deze geleerde is een samenleving die structuren heeft er bij gebaat dat mensen naar principes en inzichten leven en niet juist zo worden afgestompt dat ze geen principes en inzichten meer willen hebben. Mechanismen als opinieversnellers ontdekken dus niet de structuren van samenlevingen, maar vernietigen die juist. En, zei hij, “dat vernietigen begint al door te bewerend dat de democratische waarden en verantwoordelijkheden het fundament van de samenleving vormen.”

Plamuurmes

Alle zaken die sinds het begin van de mensheid vastliggen, zoals bijvoorbeeld moederschap, vaderschap, solidariteit en het leven van alledag, worden nu zelf door de opinie van de dag voorafgegaan. Moederschap is dan niet alleen iedere dag weer wat anders, maar is vooral iedere dag ietsje minder van wat ze de dag ervoor was. Ze wordt door de juiste opinies zogenaamd bevrijd uit verstikkende structuren – i.c. die van het vaderschap. Dit vaderschap is helemaal de weg kwijt en is al jaren helemaal niets meer. De opinieversneller gooit bij elke versnelling steeds meer 'samenleving' over boord. En pas als het weg is, hoor je mensen zeggen dat dat best erg is, maar ja, dat is dan hun mening. En die zullen ze in korte tijd ook wel weer ingeruild hebben.

Dit schrikt natuurlijk af. De opinieversneller doet weliswaar goed werk, maar de politiek – of liever gezegd: het volk is nog niet zover. Damesromannetjes en pretparken drijven niet op losse deeltjes, maar op samengeklonterde emoties en verwachtingen. Een versnelde leugen kan nog zo snel zijn, een politicus zal het toch bij de langzame leugentjes moeten houden.

Waar geen opinies meer zijn, of waar ze niet meer durven worden uitgesproken, ontstaat er een ander circuit: het zwarte circuit van de pastiche. Een mooi voorbeeld klonk er tijdens de Troonrede van Koningin Beatrix tijdens Prinsjesdag in Den Haag, het moment waarop de Nederlandse kabinetsplannen voor het komende jaar worden gepresenteerd. Op de Derde dinsdag in september, klonk de mooiste pastiche sinds tijden – mooier dan de pastiche in Opinio – uit de mond van de Nederlandse vorstin: “Kracht ontleent ons land aan de democratische rechtsstaat die burgers bescherming en houvast biedt. Gelijkwaardigheid, vrijheid, solidariteit, democratie en de principes van de rechtsstaat verdedigen wij in binnen- en buitenland. Samen dragen wij daar verantwoordelijkheid voor. De regering verleent steun aan de oprichting van een Huis van de Democratie en Rechtsstaat. Er komt een code voor 'goed besturen', waarin helder staat wat burgers van overheden kunnen verwachten. Verder zal een staatscommissie ingesteld worden die onder meer zal bezien welke mogelijkheden er zijn om de Grondwet beter toegankelijk te maken. Er komt een Handvest verantwoordelijk burgerschap. Alle inwoners van ons land dienen doordrongen te blijven van de democratische waarden en verantwoordelijkheden die het fundament vormen van de Nederlandse samenleving.”

Met een plamuurmes schraapte de Koningin wat resten uit de vaderlandse parlementaire en journalistieke geschiedenis om daar kracht aan te ontlenen. Alles is zo duidelijk dat er een code moet komen, een Handvest, een staatscommissie, een “Huis van de Democratie en Rechtsstaat” (let op de hoofdletters). Vermengd met de pasticheresten van Opinio diste de vorstin dit op aan het Nederlandse volk.

Welk volk? De opinieversneller doet zijn werk grondig. Is er een Belgisch volk? Een Brits volk? Of zelfs maar een Nederlands volk? De identieke deeltjes identiteit vliegen wereldwijd rond. Zelfs in het buitenland moeten volgens de Koningin onze militairen deze deeltjes ‘beschermen’. Of liever gezegd: de opinieversneller moet beschermd worden. Tegen oververhitting en het doorsmelten van onderdelen. En tegen zandkorrels in de raderen. Want zand, daar kan een opinieversneller niet tegen. En afwijkende meningen. En pastiches. Eigenlijk kan een opinieversneller nergens tegen. Daarom slingert ze alles maar in de rondte. Tot er een identiteit uit tevoorschijn komt. Want rondtollende identiteiten; daar heeft onze tijd behoefte aan.


Lees verder...

woensdag 5 november 2008

De verlamming van het spel

De Olympische Spelen zijn nu weer enkele weken voorbij, en ook de politieke protesten daaraan voorafgaand zijn effectief tot zwijgen gebracht door goed geregisseerde sportshows en mediacampagnes. Het verzet tegen China is uiteindelijk volledig geflopt. In feite zijn ook de Spelen zelf geflopt; er wordt steeds minder gestreden en er worden steeds meer "overwinningen" door de jury bepaald. Maar dat mag niet gezegd worden. Kritiek op de Spelen is kritiek op de moderniteit. Een essay in Nucleus van september 2008.

In het onlangs verschenen essay “Liggen of staan, dat is de kwestie” [1] onderscheidt Peter Sloterdijk de gesloten Romeinse arena van haar voorganger, het Griekse stadion, die een langgerekte U-vorm heeft met een open zijde waar zich de tempel bevindt. “De gedachte hierachter is dat het wedstrijdterrein openstaat voor de goden en dat de atleten hun oefeningen coram deis uitvoeren.” De Romeinse arena is daarentegen een gesloten toneel dat afgesneden is van de werkelijkheid buiten het stadion als van de goden.

Dat er een verschil is tussen de arena en de werkelijkheid is ook de roeier Rogier Blink opgevallen. In de Volkskrant van 3 september uitte hij zijn ongenoegen over gecensureerde internetpagina’s, geschaduwd worden na het verlaten van het Olympisch dorp en over vrijwilligers die geen vrijwilligers bleken te zijn. Hij kijkt met verbazing terug, “een gevoel dat mede is veroorzaakt door de onophoudelijke stroom positieve berichten in de media, terwijl ik het gevoel heb dat we met zijn allen optraden in het grootste toneelstuk aller tijden.” Hij doelt op het feit dat China zich niet overeenkomstig met haar werkelijke toestand heeft gepresenteerd en dus haar misstanden wegmoffelt. Op het eerste gezicht een nobel verwijt. Maar had China zich dan met haar allerarmsten moeten presenteren? Of met de dissidenten die ze gevangen houdt? Of met een gemiddelde van haar volk, inclusief schooiers en tuig? Of had ze geen stadions mogen bouwen omdat het daarvoor landbouwgrond was? Mag een land zich niet op haar best presenteren? Of had ze de geïnvesteerde 25 miljard in meer hulpbehoevende zaken moeten steken?

Het is een misplaatst socialisme dat veel westerlingen aannemen. Ze gaan eraan voorbij dat voor alle Olympische Spelen miljarden worden geïnvesteerd die nooit terugverdiend worden – die dus alleen een investering zijn in het imago van het organiserende land, laat staan dat die ten goede komen aan de allerarmsten. Ga dan als sporter uit principe niet naar de Spelen. Er zit dus een ander ideaal achter het geklaag van deze sporter.

De Olympische Spelen zijn oorspronkelijk bedoeld om helden af te leveren. Nu er meer dan 300 gouden medailles te verdienen zijn en nog eens een dubbel aantal zilveren en bronzen medailles, is meedoen belangrijker geworden dan winnen, want de overwinning is gehumaniseerd. Er ontstaat een stemming van ‘iedereen is winnaar’, degene met een gouden medaille is hooguit gradueel wat cooler dan degene met zilver en brons en de rest. Daartegen steekt de houding van het organiserende land schril af. China presenteert zich namelijk niet alleen als een imagowinnaar, ze won ook afgetekend het landenklassement met de meeste gouden medailles. In China is iets van de oude heldenmoraal te bespeuren, terwijl de wereld in de illusie verkeert dat verliezen niet meer mogelijk is. In China zijn winnaars nog helden en is de gemiddelde Chinees trots op zijn land. De Olympische Spelen zijn onderdeel van een gevaarlijke droom geworden en de 15.000 (minus 300) sporters die niet komen om te winnen gaan klagen over de winnaarsmoraal. Winnen wordt ineens afgedaan als toneelspelen, als een mediacircus en als zelfverheerlijking van China.

De vanouds pacificerende werking van de Spelen – de Grieken legden alle oorlogjes neer tijdens de Spelen – heeft in de moderne versie juist tot een verlies aan heldenmoraal geleid. De Griekse Spelen koesterden de heldencultus. De overwinnaar werd in steen gehouwen in de galerij van vorige winnaars bijgezet. Grieken kenden geen wereldrecords, want hadden geen tijdmeting. Het ging om de snelste en sterkste van het moment. Winnen bij de Grieken was simpel: iedere atleet betreedt de laan met standbeelden van vorige winnaars voor hij überhaupt winnaar zou kunnen worden. Dat brengt hem eerbied voor zijn voorgangers bij. Wanneer hij wint - voor het aangezicht van de goden – wordt ook zijn standbeeld bijgezet in de rij met helden.

De kern van de sport – het vechten en winnen of verliezen – begint nu daarentegen volledig ondergesneeuwd te raken. De Romeinse arena waarin men nu sport bedrijft en die volledig gesloten is, is volgens Sloterdijk een immanentiemachine. De duim van de Romeinse keizer bepaalt alsnog het lot van de winnaar en de verliezer. In de arena komt langzaamaan alles stil te staan. Het echte gevecht is in de dans tussen alle reglementen, scheidsrechters en eindoordelen van jury’s vrijwel geneutraliseerd. Niet voor niets verscheen er aan de vooravond van de Spelen in dagblad De Pers een begrijpelijk pleidooi voor het terugsnoeien van het aantal sporten, maar ook voor het uitsluiten van jurysporten op de Spelen [2]. De Spelen zouden weer moeten draaien om de snelste en de sterkste. Eigenlijk is alles wat door een jury beoordeeld moet worden dubieus: “Het publiek ziet een spierbundel sierlijk aan de ringen hangen. Vijf minuten wachten later krijgen we te horen dat het ene jurylid hem een 6,3 heeft gegeven, en een van zijn collega’s vindt het een 7,5 waard. Blijkbaar weten zelfs juryleden niet wat een goede kür is en wat niet – laat staan het publiek.” Ieder weldenkend mens kan hier alleen maar mee instemmen. Toch waren de reacties van de lezers niet mals. Sport is blijkbaar een zenuw van deze tijd en deze even flink prikkelen veroorzaakt een collectieve pijnreactie.

In de zoektocht naar eerlijke sport is het moeilijk om het echte gevecht te vinden. Strijdbare sporters zijn er nog wel, maar verdwijnen. Taekwondo is een tamme vechtsport waar de jury belangrijker is dan de tegenstander. Wanneer men nu, om het blote knuisten- en betere voetenwerk te mogen aanschouwen naar harde sporten als handbal en waterpolo moet kijken in plaats van naar boksen en judo in allerlei klassen waar de fut helemaal uit is weggeëbd, is er toch iets behoorlijk verkeerd gegaan. Vechten komt nu neer op de ander ontwijken en achteraf door de jury tot winnaar worden uitgeroepen.

Maar ook in de poging om jurysporten zogenaamd objectiever te maken, zijn de nadelen groter dan de voordelen en blijft het probleem minimaal even groot als tevoren. Nu kan bijvoorbeeld een degelijke gemiddelde turner die gedisciplineerd zijn puntentotaal bij elkaar turnt een betere waardering krijgen van de jury dan een geniale turner die hem op alles overtreft, maar een foutje maakt waardoor hij een bepaalde puntencombinatie mist, zoals Artemev op het voltige paard overkwam. [3] Genialiteit, noch extra briljant toegevoegde bewegingen worden nu nog gewaardeerd of beloond. Iedereen turnt nu vrijwel dezelfde oefeningen in de meest winstgevende combinaties. De grijze middenmoot profiteert. De mate waarin men het eigen lichaam tot in de finesses weet te beheersen is niet zonder meer vergelijkbaar met de zelfbeheersing van anderen. Het wordt pas meetbaar (en dus vergelijkbaar) wanneer deze beheersing en techniek in criteria van kracht en snelheid worden gegoten.

Om de invloed en aanwezigheid van scheidsrechters en jury’s tot een minimum te beperken, en om sport de maximale helderheid te geven, moeten de oude criteria van snelheid en kracht noodzakelijkerwijs terugkeren. De eerste die over de meet komt, of diegene die zijn tegenstander tegen de grond mept is de winnaar. Als je niet goed bent in boksen vanwege je iele gestalte, moet je maar gaan boogschieten of heuvelop fietsen. Nu wordt het meppen om zeep geholpen in ruil voor geplaatste stootjes zonder gevolgen dan alleen een door de jury toegekend punt. De punten of strafpunten leveren een winnaar op zonder dat we een echt gevecht hebben gezien. Daarentegen worden bij handbal en waterpolo het maken van overtredingen even hoog, zo niet hoger aangeslagen dan puntjes scoren. Het ronduit hinderen van de tegenstander of doelbewust overtreden van de regels is gek genoeg een van de belangrijkste zaken van het spel geworden. Laten we dan in vredesnaam rugby weer invoeren, waar overtredingen en punten maken een goed geïntegreerde eenheid is geworden en bovendien helden oplevert.

Maar daarmee hebben we de transcendente werkelijkheid van het Griekse stadion niet teruggekregen. En de moderne cultuur begeeft zich volgens Sloterdijk “op gevaarlijke paden wanneer ze in de sport eerder bij de Romeinen dan bij de Grieken aansluiting zoekt”. Het geklaag van roeier Blink snijdt dus wel hout: hij heeft in een groot toneelspel geacteerd, maar dat ligt meer aan de opzet van de Spelen en de sport zelf, dan aan China als organisator. Laten we clementie hebben voor de ‘eerlijke’ klasse waarin Blink uitkomt – met acht man zo snel mogelijk een roeibaan oversteken – maar niet voor de moderne sportbeoefening zelf. De Spelen zijn onderhand iets heel anders geworden dan een podium waarop heldendaden verricht worden. Dat ligt aan de ‘Olympische gedachte’ en aan haar waakhond, het IOC. Wat de laatste decennia namelijk steeds weer terugkeert is de veelgehoorde wens ‘om de Spelen tot een succes te maken’. Wie weet wat we ons daarbij moeten voorstellen? Men gaat ernaar toe om de krachten te meten met de besten en hopelijk de competitie te winnen. Wat moet men daarnaast nog doen?

Kenneth Minogue laat in zijn artikel “Christophobia and the West” daarvan iets zien. [4] Hij benadert de idee achter de moderne Spelen als een ersatzgeloof, een geloof-in-de-plaats-van. ‘Olympianisme’ is een geloof in een verlichtte en intellectuele elite die “menselijke verbetering op wereldschaal kan en moet brengen door de volken van de wereld tot een grote gemeenschap te maken, gebaseerd op het universele plezier in de juiste mensenrechten”. Succesvolle Spelen moeten dus iets zichtbaar maken van een superieur ras waar iedereen die dat wil, deel van uit kan maken. Ieder die dat wil, spiegelt zich dus aan door de jury naar voren geschoven winnaars, die zich op hun beurt weer spiegelen aan alle aandacht die de wereld hen schenkt. De Romeinse arena kweekt narcisten waar toeschouwers zich aan spiegelen. Toen sport ingezet werd voor de karaktervorming is zij in feite heel snel aangewend voor het vormen van een verkeerd karakter dat geen goden meer kent, maar alleen publiek om zich heen heeft dat de sporter verafgoodt. [5] En ja, dan is het natuurlijk zuur wanneer je als roeier naar de Spelen gaat en door krijgt dat de hele idee van dit superieure ras een groot toneelstuk is en dat de werkelijkheid ietsje harder is. Maar daar heeft de mondiale narcistengemeenschap geen boodschap aan.

Hoe ironisch dat juist tijdens dit evenement een door het Westen gesteund landje een nog kleiner landje binnenviel om het even in te lijven. Hoe ironisch dat uitgerekend Rusland daar een stokje voor stak. Wie is hier de toneelspeler, wie de bedrieger en wie de held? Het Westen speelt hier de dubbelrol van de jury die zichzelf tot winnaar uitroept. De jury wijst Rusland als verliezer aan terwijl ze de held moet zijn. Politiek is voor het Westen ook een jurysport. Maar in de Romeinse arena is geen uitweg. Eigenlijk staat alles stil. Die stilstand wil men meten en er gradaties in aanbrengen. Goden, helden en tragiek zijn van de arena buitengesloten, want die breken altijd door alle vooraf vastgestelde categorieën heen. De stilstand is zo prangend geworden, dat iedere poging om beweging in de zaak te krijgen felle reacties oproept. Men wil het gevecht hoe dan ook buiten de werkelijkheid houden, net als de goden en de helden. Nu krijgt men twee opponenten die tot aan de tanden bewapend op de mat verschijnen, maar geen fin verroeren. Na afloop wordt er zonder vechten iemand tot winnaar uitgeroepen van dit Koude Oorlogje. De jury is hier de echte winnaar zolang ze het gevecht op de mat weet te vermijden – alleen zo zijn de Spelen een succes. Ook het Olympianisme van de VS en de NAVO loopt inmiddels zodanig uit de pas met de werkelijkheid dat ze een karikatuur van de eigen rol is geworden. Ze raken totaal de weg kwijt wanneer haar gezag als jury genegeerd wordt. Terwijl voor het Westen politiek en sport een soort Koude Oorlog zijn, komen er elders weer heldendaden en helden boven drijven. Een gunstige ontwikkeling in narcistenland.

Noten

[1] Peter Sloterdijk: “Liggen of staan, dat is de kwestie”, in Trouw, 21 juni 2008

[2] Marten Blankesteijn & Geert Jan Hahn, “Op zoek naar de beste mens”, De Pers, 7 augustus 2008

[3] http://www.youtube.com/watch?v=VhSDcgsDMcc & http://www.youtube.com/watch?v=CkzNUHqUNNM&feature=related

[4] Kenneth Minogue, The New Criterion, nr. 21, june 2003

[5] Christopher Lasch, De cultuur van het narcisme, blz. 160


Lees verder...

zondag 26 oktober 2008

De Heilige Microfoon

Het afscheid van de bisschop van Groningen, mgr. Wim Eijk, bracht iets opmerkelijks aan het licht: voor veel moderne gelovigen staat niet meer de Crucifix in het midden van de kerk, maar de Heilige Microfoon. Want mondigheid is mooi, maar wat is mondigheid zonder microfoon? Maar een microfoon is lastig. Want wie mag er spreken en wie moet er luisteren? Moeilijke vragen. Het is er voor de gelovige sinds Vaticanum II dan ook niet makkelijker op geworden. Voor het Belgische opinieblad Nucleus, een maandblad uitgegeven door onze vriend dr. Pieter Huys, schreef ik samen met Erik van Goor het volgende artikel.

Het bericht dat van alle websurfende Europeanen de Nederlanders het meest grofgebekt zijn komt niet onverwacht. De keurigste manager verandert in de pauze achter zijn PC in de meest schunnige variant van de mondige burger om het Internet te overladen met scheldpartijen en grove taal. Gratis kranten, radiostations en zelfs publieke omroepen in Nederland laten eenzelfde beeld zien. Ooit een van de burgerlijkste naties, is het land sinds de jaren ’60 verandert in een land waar decorum, etiquette en stijl door het toilet zijn gespoeld. Hoe directer, des te beter. De historicus James Kennedy zei ooit over de jaren ’60 in Nederland dat in vergelijking met de meeste westerse landen de jaren ’60-revolte in Nederland nauwelijks iets voorstelde – weinig meer dan een verfbommetje hier en een rookbommetje daar. Toch is de verandering in weinig landen zo doorgeschoten als in Nederland. En niet in het minst in de kerk. Vooral na invoering door Vaticanum II van de microfoon in de kerk is het mis gegaan.

Zoals te zien was tijdens het afscheid van bisschop Eijk, vanwege diens vertrek van Groningen naar Utrecht. Bisschop Eijk had het in Groningen niet makkelijk gehad. De moderne pastorale werkers in deze kerkprovincie hadden hem menigmaal het vuur aan de schenen gelegd vanwege diens visie op homoseksualiteit en die op de rol van de vrouw in de kerk. Een van deze werkers is een zekere mevrouw Van Schalkwijk. Toen zij geen toestemming kreeg om bij het afscheid van mgr. Eijk te spreken, greep ze eigenhandig naar de microfoon. Maar de ceremoniemeester greep ook in en kon via de beveiliging deze mevrouw in toom houden.

Een microfoon hanteren is immers makkelijker dan het kruis – de Crucifix – dragen. De moderne gelovige onderwerpt zich niet graag, maar werpt zich daarentegen wel graag op als spreekbuis, uiteindelijk altijd namens zichzelf. Mevrouw Van Schalkwijk maakte daarom haar visie bekend bij de landelijke pers. Haar ideaal blijkt “de autonome pastor” te zijn, waarbij de bisschop niet zozeer gezag heeft, maar eerder een “sparring partner” is: Deze “autonome pastor” maakt volgens mevr. Van Schalkwijk “eigen keuzes zonder autoritair te worden èn zonder zijn begrip voor de ander los te laten. Deze pastor kiest voor participerend leiderschap, een leiderschap waarbij de leider, of die nu pastor of bisschop is betrokkenheid, initiatief en daadkracht bij anderen wekt voor een zaak die de leider belangrijk acht.” Op deze wijze doet de pastor “de mensen recht”. Aldus mevrouw Van Schalkwijk.

Vaticanum II voerde de volkstaal weer in en gaf het volk een stem. Maar toen het volk sprak, bleek het volk geen volk te zijn, maar een verzameling autonome sparring partners die recht moet worden gedaan. En het eerste recht is het recht van spreken in de microfoon, het instrument dat als een tweesnijdend zwaard de gemeenschap klieft.

Verdeeldheid

De microfoon verdeelt de mensheid in sprekers en luisteraars. Wij luisteren niet naar mensen die iets te zeggen hebben, maar naar datgene wat uit de luidsprekers schalt. Mensen die iets te zeggen hebben moeten maar afwachten of zij dat voor een microfoon mogen doen of in het luchtledige waar niemand naar hen luistert. Nu blijkt zelfs dat alleen diegenen die goed kunnen luisteren en die de goede luisteraars mogen toespreken goede burgers zijn. Wie zegt dat? Iemand met een microfoon voor zijn mond natuurlijk. De microfoon schenkt onze tijd twee grote problemen: die van het spreken en die van het luisteren. De microfoon maakt dat de spreker niet luistert en de luisteraar niet spreekt. Maar gek genoeg is het kerkvolk juist achteruit gegaan in het luisteren sinds de microfoon de boodschappen van de sprekers versterken.

Sprekers spreken met hun mond naar de microfoon en luisteraars zitten met hun oren naar de luidspreker. De kloof tussen spreker en publiek ontstaat door deze twee instrumenten. Interrumperen gebeurt niet zomaar en de afstand tussen sprekers en publiek wordt groter omdat afstand niet meer iets is dat geluid moet overbruggen. Men zet de luidspreker daar neer waar het geluid terecht moet komen. Hoever de microfoon bij de luisteraars vandaan staat is van geen belang.

Degene die spreekt is dus niet meer iemand die uit zijn ambt spreekt zoals de vader en de priester door hun ambt sprekers zijn, maar de spreker mag spreken omdat hij zich een plaatsje voor de microfoon heeft bemachtigd. De spreker beoefent allereerst het ambt van spreker. Het spreken wordt niet meer gebruikt om de rust te herstellen of om naar oplossingen te zoeken, maar om individuele emoties vele malen versterkt bij mensen te brengen. Alexander Mitscherlich schreef in 1963 dat "de massacommunicatiemiddelen voortdurend stemmingen bij ons aanboren en ons zo bespeelbaar maken." Dat komt omdat de spreker geen aan zijn publiek inherente reden heeft dat hij spreekt, en dus geen zaak bespreekt, maar een emotie losmaakt. De luisteraars moeten gewoon horen wat hij zegt; er is geen ontkomen aan want de luidsprekers staan altijd in de buurt.

De gelegenheid waarin de microfoon voorziet, ontwikkelt een machtstrijd. Niet langer is de spreekfunctie onlosmakelijk verbonden met de verantwoordelijkheid en natuurlijk gezag zoals van vader en priester, maar is de spreekfunctie een plek waar moordende concurrentie heerst. De priester die verzoening doet heeft geen luidspreker nodig om God te bereiken. De vader heeft die ook niet nodig om zijn kind een troostend woord of een opvoedende tik te verkopen en zeker niet om zijn vrouw en kinderen te zeggen dat hij van ze houdt. Wat primair in de microfoon versterkt wordt is de emotie en niet de heldere argumentatie of schoonheid van de logica. Een spreker hoeft minder dan ooit zijn best te doen om een in principe milde emotie duizend keer sterker uit te vergroten totdat het een beslagleggend appèl doet op de luisteraar. Hij heeft geen grote woorden en historische oneliners nodig om zijn publiek te pakken, want de emotie die hij heeft wordt toch wel vele malen versterkt. Hij hoeft er eigenlijk niet zoveel voor te doen. Nu eisen de grootste blunders die er door luidsprekers geklonken hebben de aandacht op, terwijl de mooiste historische oneliners die wij kennen, werden gedaan in een tijd dat microfoons hoogstens een zeldzaamheid waren en de sprekers werden opgeleid tot het spreken zonder microfoon, dus in directe relatie tot de toehoorders. De spreker zonder microfoon is in feite 'de eerste onder de toehoorders', iemand uit de groep die het woord neemt en niet, zoals nu, een spreker die op zoek is naar een microfoon en dus naar een publiek. De oude ecclesia wordt zo stom gemaakt: al zou ze schreeuwen, de spreker hoort het niet. De microfoon voorkomt dat er iemand uit de groep het woord neemt, maar keert zich tegen de natuurlijke ambten.

Revolutie

In de kerk heeft de microfoon haar revolutie gevestigd. Bedoeld of onbedoeld. Want ondanks dat Vaticanum II de afstand tussen God en mens kleiner wilde maken door het altaar tussen het volk te plaatsten in plaats van voor het aangezicht van God, heeft de microfoon toch weer een grote scheiding teweeg gebracht tussen de spreker en het volk. De oorspronkelijk drieslag in de liturgie, die van volk-priester-God, is ingeruild voor die van volk-sprekers-show. De liturgie is geen drama meer, maar is een serie onemanshows geworden. Tijdens een kerkdienst komen veel sprekers naar voren: de aankondigingen, de schriftlezing, de gebeden, de aankondiging van de kinderdienst, de preek, de bediening, de afkondigingen en soms nog een verdwaalde koster(es) met een mededeling.

Deze microfoon blijkt een instrument met magnetische gaven. Het trekt massa's mensen aan, niet in de laatste plaats de pastoraal medewerksters. Dezen is het weliswaar niet gegeven om de mis te bedienen en een gewijde functie te bekleden, maar vanwege het priestertekort dicteren deze pastoraal werkers het parochiale leven in tal van bisdommen.

De microfoon is dus niet automatisch in handen van het gezag zoals het vaderlijke ambt ook verantwoordelijkheid en gezag verleent aan de vader, want natuurlijk gezag behoeft geen microfoon. De microfoon is in principe een instrument dat gezag afbreekt en erediensten verstoort omdat het de natuurlijke band tussen spreker en publiek doorsnijdt. De microfoon is een activistisch instrument. Zonder de microfoon hebben de pastorale medewerksters waarschijnlijk geen gehoor. Want zonder microfoon gaan ze gillen en dat wil niemand horen, zeker niet in de kerk. De microfoon versterkt dus iets wat van nature geen gezag heeft. Het verleent een kunstmatig gezag aan mensen die dat niet horen te hebben.

Het spreken van het volk via de microfoon is een merkwaardig spreken; het kunstmatige gezag wordt uitgesproken in een kunstmatige taal en is gericht op een kunstmatig volk. Want ondanks de aandacht voor de volkstaal, is de volkstaal allang mediataal geworden en is het volk getransformeerd tot publiek.

De microfoontaal waarmee het publiek wordt bereikt, is een doodse taal. Dialecten verdwijnen, evenals beschaafde taalvormen. Wat ervoor in de plaats komt, is een functionele taal doorspekt met Engelse termen. De Engelse literatuurwetenschapper George Steiner sprak ooit over de Duitse taal als een dode taal, want volgens hem had de Tweede Wereldoorlog en Holocaust het culturele en morele fundament weggeslagen dat nodig is om een taal levend te laten zijn. Volgens Steiner is taal iets waarin het metafysische moet kunnen doorschijnen, anders is deze taal volgens hem ongeschikt voor literatuur of poëzie. Nog weer jaren later scherpte hij deze gedachte aan in het boek Het verbroken contract. Als gevolg van het verbroken contract tussen God en mens zag Steiner alle cultuur leeglopen. Zonder God is er in de taal, volgens Steiner, geen “aanwezigheid van betekenis” die nodig is om taal en cultuur iets te laten tonen – te doen laten verschijnen.

Megafoon

De microfoon is de belichaming van deze afstand tussen God en mens. De microfoon doet niet iets of Iemand verschijnen, maar wil met een boodschap iets overbrengen – over de afstand heen tillen die ze zelf heeft gecreëerd. In de klassieke liturgie draaide de samenkomst om de werkelijkheid van God en het verschijnen van het mysterie aan de mensen waardoor er zo’n “aanwezigheid van betekenis” optrad. Juist de afstand tot het altaar, en het gebruik van het Kerklatijn bewaarde het volk als volk. Het Latijn voorkwam elke verfransing of verengelsing van de taal. Het Latijn was als “dode taal” immers geen concurrent van de volkstaal, zoals later de negentiende-eeuwse standaardtalen dat wel waren. Juist de afstand van de klassieke liturgie gaf het volk het recht om volk te zijn. Het aanschouwen sneed elke latente behoefte aan hyperreflectie of kritiek de pas af. Juist met zijn rug naar de gemeente was de priester een voorganger: een Mozes die het volk voorging en als onderdeel van het volk sprak tot en namens zijn God en Die van het volk.

De klassieke retorica beschermde het volk tegen de show. Deze retorica kende de mogelijkheid om op te komen en weer te verdwijnen; de moderne retoriek bestaat uit verkrampte pogingen om origineel te zijn omdat sprekers continu de aandacht moeten vasthouden. De originaliteit wordt steeds leger en lachwekkender; het volk kan zich niet meer aan de beuzelarij onttrekken. De band met het volk, met het leven en met de werkelijkheid is door de microfoon volledig verdwenen.

Het volk – het kerkvolk – voelt dit aan en is ontevreden. Want iedere microfoon is een megafoon. Wie overschreeuwd wordt door luidsprekers wordt zelf ook steeds rumoeriger. Wie constant op luide toon woorden over zich heen krijgt, luistert steeds minder goed naar wat er tegen hem wordt gezegd. Het spreken met gezag herstelt de orde en de stilte, maar het elektrisch versterkte geluid creëert een antigeluid: schreeuwerigheid, rumoer, onrust en ruis. Het is vreemd, maar in een tijd dat mensen geen inhoud meer kunnen geven aan hun woorden en dus niet meer echt spreken, is de algemene klacht dat mensen niet meer kunnen luisteren. Het publiek luistert niet meer, studenten niet meer, kinderen niet meer, politici niet meer, niemand meer. Want waar moet men naar luisteren? Het gaat toch niet meer om luisteren, maar om de stemmingen die bij ons aangeboord worden? En om meningen en interpretaties?

Wil de kerk weer spreken, wil het kerkvolk weer kunnen luisteren, dan zal men de microfoon het zwijgen op moeten leggen. Dankbaarheid en vrede verdragen zich niet met mondigheid en kritisch luisteren. Vervang daarom elke microfoon door een Crucifix. Wij voorspellen: de hysterie zal afnemen en de rust neemt toe. Want spreken en luisteren is wel degelijk mogelijk, maar dan wel zonder Heilige Microfoon.

Lees verder...

zaterdag 21 juni 2008

RUSLAND - BROEDERVOLK

bitterlemon.eu - EK Voetbal 21 juni 2008 * EK Voetbal 21 juni 2008 * Гимна России*

door Tom Zwitser

Er is veel aan te merken op het voetbal en het grote festijn dat nu afgewikkeld wordt in Zwitserland en Oostenrijk.
Maar na een aantal bedenkingen bij dit fenomeen, dient het denken wel plaats naast zich maken voor het spel zelf. En
voor de vreugde bij het spel. Zoals het spel van Rusland tijdens het Europees kampioenschap. Waarvan de ernst
doorklinkt in het Russische volkslied. Klik hier voor het Russisch volkslied [mp3] [1]

Hoeveel onze kijktijd waard is voor de consumptie en de politieke correctie op het volk wordt duidelijk voor iedereen die de dagelijkse
berichten over de miljoenentransfers, sponsorbedragen en miljarden uit TV-reclamegelden overheidssteun of ordehandhaving bijhoudt. We
mogen eruit concluderen dat onze aandacht ‘hen’ heel wat waard is. Zolang wij onze aandacht richten op het spel, staan wij in het midden
van de aandacht. Voetbal kijken komt neer op ‘zien is gezien worden’. Wie voetbal kijkt wordt zichtbaar voor het triljoenencircus van de
consumptiemaatschappij en de controlestaat. Wie kijkt wordt opgemerkt en wie niet kijkt verdient bij nader inzien toch nog zo’n beetje de
abortus die nooit eerder op hem gepleegd is want hij weigert het narcoticum dat de staat hem toedient. Wie daarentegen leeft op de
schouwspelen die hij krijgt toegediend leeft als een junk van de ene trip naar de volgende trip. Ook de junk is alleen maar de toeschouwer
van schouwspelen die er niet zijn.

Het belang van spelen

En dat gebeurt al jong. Kinderen mogen niet meer in de sloot achter het huis spelen (gevaar, milieu, kortom = vies), kinderen mogen geen
hutten meer bouwen op zolder, want de meeste zolders zijn nu verkapte huiskamers danwel slaapkamers en ouders hebben geen oude
spullen en kleden om ueberhaupt nog mee te spelen (kortom = troep) en kinderen mogen ook geen boomhutten meer bouwen (risico,
risico, risico, kortom = risico). Buitenshuis zijn alle verboden gebieden (boom en sloot) keurig afgegrensd met hekjes en het huis zelf is een
transparante ruimte geworden waar kinderlijk gedrag en ouderlijke aandacht elkaar niet meer kunnen ontlopen. Als gevolg daarvan staan
de kinderen in het niet meer te ontvluchten midden van de ouderlijke belangstelling, maar omdat er geen spelgevaar meer is waar ouders
op hoeven toezien, is er nu sprake van een ononderbroken belangstelling zonder toezicht (gezag). De ouders verliezen de afstand tot hun
kind en daarmee ook een zekere mate van kritiek. Het kind kan niets fout meer doen, zowel in en om huis, als in de ogen van de ouders. En
het kind, dit kind leert het gevaar niet meer onder ogen te zien. En dat is het belangrijkste want het leert leven in een wereld zonder gevaar
en dus zonder spel.

Het spel heeft namelijk een ernstige grond. Kinderen gaan in ernst en vreugde op in hun spel, maar de ernst brengt ook een rand van
gevaar met zich mee. Er is natuurlijk het gevaar dat het spel doorbroken wordt en dat kinderen zich in hun ernst aangetast voelen
(kortom: slaande ruzie). Maar aan de rand van ieder spel bevindt zich altijd het echte gevaar dat het spel de ernstige vreugde verschaft. Uit
de boom of van het vlot vallen zijn voorbeelden, maar er zijn vele andere ongelukjes die in ieder spel verscholen zitten. Op die rand richt de
ouderlijke zorg zich. De rand van gevaar is tegelijk een buffer tussen het kinderspel en de ouderlijke aandacht. Maar in deze tijd sluit de
ouderlijke voorzorg de gevaarlijke rand bijvoorbaat uit (kortom = gemakkelijk) en kunnen zij de zorg volledig richten op het kind zelf.
Maar wanneer de rand van gevaar verdwenen is, verdwijnt ook het spel en het spelen. Kinderen spelen niet meer. Er zijn geen buffers meer
die de kinderwereld c.q. het kinderspel afschermen voor de verstikkend wordende ouderlijke nabijheid. Op dat punt aangekomen is het
kinderspel allang ingeruild voor een virtueel spel, dat neerkomt voor kinderen op toekijken op een spel van anderen. Kinderen kunnen in
deze situatie niets anders dan computergames, films en tv in het onontkoombare midden van hun belangstelling zetten; ze worden aan de
virtuele spelen geklonken en zelf virtueel gemaakt. Kinderen worden vermaakt in de creche, achter de tv of de spelcomputer. Dat is de enige
manier waarop kinderen hun gang kunnen gaan in een tijd van de altijd direct-ouderlijke nabijheid. Wie van zijn kind een toeschouwer (of
een gamer) heeft gemaakt is van het onmiddelijke gevaar van het kinderspel verlost, maar is in feite van het kind-zijn van zijn kind verlost.

Want een gamer is geen speler.

Nu duidelijk is gemaakt waar het spel gebleven is en de verdwijning van het kinderspel exemplarisch is voor de verdwijning voor alle
spelelementen uit de maatschappij, bestaat het gevaar om te zeggen "Kijk, voetbal is slecht, voetbal kijken is ook slecht en grote toernooien
helemaal." Deze, ogenschijnlijk, logische vervolgstap, blijft een valkuil waar men over heen moet springen en niet in moet trappen. Wie er
wel in trapt verzuurt, beleeft aan geen enkel spel nog vreugde, speelt derhalve niet meer. Net alsof je als oplossing voor de erotisering van
de maatschappij het mannelijke deel castreert. Nee, het geeft niet een teveel aan, maar juist een tekort. Er mist iets. Erotisering is juist de
castratie. Met andere woorden: aan de overkant van de valkuil ligt de andere helft van de waarheid.

Spelvreugde

Dus zijn er na deze aanmerkingen ook opmerkingen te maken bij het voetbal. Bijvoorbeeld het verschil tussen de oudere Europese rijken en
de relatief jonge kolonisators. Wie het graduele verschil in gezichten van voetballers van oude rijken als Oostenrijk, Rusland en Turkije -
met een Byzantijns fundament - ziet, merkt dat zij hun beschaving vooral aan de buurlanden en volken hebben opgelegd. De trekken van de
verschillende volken binnen het rijk zijn nog allemaal terug te zien in de gezichten van de verschillende voetballers. Dit terwijl onder meer
Frankrijk en Nederland alleen ver weg hebben gekoloniseerd en de gezichten fundamenteel verschillen en vrijwel niet gradueel: Nederland is
bijna alleen (donker)blond of zwart. Aan de omliggende volken hebben ze blijkbaar lak gehad, of ze hebben hen niets te bieden gehad, laat
staan dat ze dat konden opleggen. Je vraagt je af of deze laatste landen ook werkelijk een beschaving overzee kwamen brengen of alleen
maar iets kwamen halen. Om het cru te zeggen: Rusland, Turkije en Oostenrijk waren rijken in de goede en ouderwetse zin des woords,
maar Nederland en Frankrijk vooral roversnesten.

Maar er is meer dat opvalt, zeker wanneer het een ontmoeting van verschillende (oude) Europese landen betreft, die doen alsof ze oude
Europese landen zijn. Bij de meeste landen op het Europese kampioenschap worden de oude vlag en het wapen van toen opgesierd met
schelle negentiende eeuwse volksliederen en vermengd met hedendaagse extase. Die volksliederen springen uitdrukkelijk in het oog, tegelijk
met het verschil in gezichten. Het volkslied brengt de massa in de eerste extase, doelpunten brengt hen in een volgende.
De operette deun van Italie en het straatlied van Frankrijk vallen in het niet bij het lied van Rusland. Als er nog enigszins sprake is van
volksgeest in de liederen, dan nog in het Russische lied. Wat volksliederen van Frankrijk en Italie zeggen over de volksgeest is volslagen
onduidelijk. Dat er nog tekst te maken is op de aria van de Italianen is een groot wonder, en dat deze mogelijk nog door iedereen
meegzongen kan worden valt buiten het universum van de gemiddelde stem des volks – ook al zijn Italianen betere zangers dan
Nederlanders. De tekst is zo mogelijk nog maller dan de muziek. Waarschijnlijk wordt het alleen meegezongen omdat de tekst voor het
voetbal gemaakt is: Italie is superieur, zal overwinnen, wij zijn tot de dood bereid, etcetera. Het element brood en spelen zit er overduidelijk
in.

In tegenstelling tot het Russische lied. Dat is nog een volkslied en geen staatslied [2]:
Rusland - ons heilige rijk, Rusland - ons geliefde land. Een machtige wil en grote roem zijn jouw erfenis voor alle tijden.

Enige losse regels uit dit lied:
Eeuwenoude bond van broederlijke volkeren,
Door God beschermde geboortegrond!
Onze trouw aan het Vaderland geeft ons kracht.
Zo was het, zo is het en zo zal het zijn!

De melodie sluit bij het Russische verleden aan. Enkele akkoorden van de negentiende eeuwse componist Moussorgsky [3], maar ook de
vroeg communistische componisten en de filmmuziek uit de Stalintijd hoort men erin terug. Het optimisme vanwege geloof in eigen kracht
en techniek uit de communistische tijd is verdwenen, en geloof in het land als geheilgde grond is ervoor terug gekeerd. Bovendien toont de
laatste regel de blik op het eeuwigheidskarakter van het land, ondanks alle vernietigingsgolven die er overheen hebben gespoeld blijft

Rusland hetzelfde: een heilig rijk. Muzikaal wat megalomaan, maar vanuit het tragische van de Russische geschiedenis. Het volk en haar
christendom heeft immers een genocide overleefd. Men smeekt iets af.

Groot Rusland

In navolging van de vele Nederlanders die Peter de Grote hielpen zijn grote Russische eenheidsstaat op te bouwen en St.Petersburg vanuit
het niets op de moerassen te vestigen als nieuwe hoofdstad van de nieuwe staat, is Guus Hiddink naar Rusland getrokken om daar het
voetbal uit de grond te stampen. En hij wordt er aanbeden, zoals hij ook in Zuid-Korea aanbeden wordt na zijn halve finaleplaats met dat
land op het WK van 2002 aldaar. Het russische voetbal wordt door Hiddink van de communistische school ontdaan; het moet spelen en
niet in systemen bewegen. De spelers die op grond van hun status weinig tot niets uitvoerden heeft hij de wacht aangezegd, Hij heeft zich
verdiept in de cultuur en geschiedenis van dit volk en heeft datgene gedaan wat Russen kunnen: ze laten spelen.

En spelen doen ze. Nu de systematiek en wat nasudderende communistisch statusgedrag er vanaf gevallen zijn, zit er pure spelvreugde in
het team. Het russische team is ronduit geniaal in aanvallend opzicht en ronduit naief in verdedigend opzicht. Maar ze zijn ook leergierig.
Tegen de geslepen aanvallers van Spanje wisten ze zich geen houding te geven (uitslag 1-4), maar 4 dagen later tegen regerend kampioen
Griekenland bleek de verdediging al beter te functioneren en tegen Zweden was deze gewoon goed. Daarmee is Rusland door naar de
volgende ronde waar ze op 21 juni tegen Nederland speelt, terwijl ze de regerend kampioen naar huis gestuurd heeft, lang voordat de titel
van dit kampioenschap vergeven is. De oude Europese landen als Italie, Frankrijk, Spanje en Duitsland blijven steken in een hoog, maar
gezapig basisniveau zonder dat de spelers daar (individueel) bovenuit kunnen klimmen. Er wordt niet gespeeld en er is geen spelvreugde. De
grote smaakmakers zijn tot nu toe Kroatie, Portugal, Nederland en Rusland, en Spanje laat af en toe ook iets zien.

Er is een ernst aan het spel die door de Russen wel begrepen wordt, terwijl ze de ernst erachter niet begrijpen. Ze zijn, met de woorden van
Guus Hiddink, nog niet streetwise in het spel van manipulatie en controle. Tijdens het toernooi heeft Hiddink zijn ploeg enige
straatwijsheid bijgebracht. Dat komt erop neer dat ze zich niet moeten laten manipuleren, omdat ze zich daarmee van de wijs en van hun
spel laten brengen.

Tegenover de grote bloei van het Russische kerkleven en volksleven, staan de massamedia en techniek die het volk dusdanig proberen te
demoraliseren als in het Westen gebeurd is. Maar als men de Russen ziet spelen en ook op andere vlakken met de media ziet omgaan lijkt
het alsof ze er compleet ongevoelig voor zijn. Het is niet eens zozeer naiviteit die ze voor de gehaaide methodes uit het Westen aan de dag
leggen alswel complete onverschilligheid tot voor de irritante scheidsrechter aan toe. De eerste aanvaring tegen het voetbalteam van Spanje
werd een enorme zeperd, maar geen enkel team van de oude Europese landen zou zich er zo snel van herstellen als Rusland in de
daaropvolgende wedstrijden (Duitsland komt erbij in de buurt - ook een relatief jonge natie). Daarom begrijpen ze de ernst erachter ook
niet en zullen ze dat ook niet begrijpen. Europeanen, Nederlanders voorop, kunnen slecht omgaan met de druk van de miljoenen
toeschouwers. Russen daarentegen hebben geen toeschouwers, dat is nog een volk.

Overvloed en onbehagen

Precies zo is het bij de verspilling van wat voorhanden is: olie, gas, geld, kansen en mogelijkheden; alles hebben de Russen in ingelooflijke
hoeveelheden voor handen en ze gaan ermee om zoals het hoort: wat over is, wordt vespild, maar ze verspillen geen zaken die ze niet
hebben (zoals Westers kapitalisme wel doet). De spelvreugde groeit in het besef te leven in een rijke en gevende natuur. Het is daarentegen
typisch voor ons bejaarde Westen dat wij leven in besef van schaarste en slinkende voorraden. Het gaat niet om "zij doen het fout en wij
doen het goed", maar om het verschil in attitude. Wij slepen het liefste de hele aarde mee in onze ondergang terwijl de Russen de hele
wereld laten toekijken hoe zij spelen, groeien en in de kracht van hun leven komen.

Russen leven bij de ernst van het spel en niet de ernst achter het spel. De ernst van het spel maakt dat wij onze jeugd alleen nog virtueel
laten spelen. Onze jeugd speelt spellen waarachter de ernst schuil gaat. De ernst erachter is dat ze denken dat ze spelen, maar ze spelen
niet. De ernst van het echte spel maakt dat Russen ongegeneerd spelen, spelen, en blijven spelen totdat men niet meer kan. Russisch
voetbal is een beschavingsoffensief. Daarom kan het Russische volkslied waarin het geheilgde Rusland wordt bezongen rustig vooraf aan
een wedstrijd worden gezonden, netzogoed als bij de staat- en kerkceremonieen. Ieder bezwaar tegen de Russische verspilling bevestigd
namelijk de bejaardenstatus van de bezwaarmaker. De Russische bloei zal niet stoppen wanneer de olie op is. Olie wordt aangegrepen als
groeimiddel, maar als die op is, hoeft er hopelijk niets anders voor in de plaats te komen om Rusland als nieuwe beschaving een paar
eeuwen volop te laten doorbloeien.

Ondanks dat het Russische Rijk al een paar eeuwen op zoek is naar een grote vorm is het Russische volk nog een jong volk en zijn de
Europese landen oude landen. Europa is een cultureel bejaardentehuis dat naast het jonge Russische gezin woont. De fase waarin Europa
over haar mogelijkheden heen groeide door uit te geven wat ze in de toekomst moest verdienen, en zich bewust werd van haar verleden en
natuurlijke krachten die nooit meer terugkomen, lijkt nog honderden jaren verwijderd van de Russen. Russen zijn met geen mogelijkheid
bewust te maken van zichzelf. Wel trots, wel eergevoelig, maar niet bewust van louter en niets meer dan zichzelf. Dat laatste is namelijk
leeg. Bewust worden van niets meer dan jezelf is altijd bewust worden van verlies en leegte; van iets dat er vroeger wel was, maar nu niet
meer.

Herstel van het Westen

Het westen heeft iets fout gedaan. De massamedia zijn bedoeld als spiegel van onszelf. In de massamedia worden we steeds op onszelf
teruggeworpen en wordt ons de machteloosheid van het volk ingewreven. Massamedia zijn een verschijnsel van een beschaving in
ondergang die zelf niet meer speelt, maar naar zichzelf kijkt terwijl ze naar zichzelf kijkt. Maar nu dringen er in die massamedia steeds
vaker signalen door van een parallelle beschaving - de Russische - die niet ten ondergaat maar juist groeit tegen alle klippen op. De
Russische politiek is bijvoorbeeld gezonder dan willekeurig welke westerse democratie, evenals hun staatskas, maar beide worden
stelselmatig in onze media afgemaakt als dictatoriaal en roofgeld en Rusland nadert langzaamaan in onze pers de volslagen ongegronde
status "gevaar voor de wereldvrede". Onebgrijpelijk wanneer duidelijk is dat Rusland de enige uitdrukkelijk Christelijk macht is die China
kan weerstaan. Rusland is een broedervolk, maar niet voor de seculiere media en de seculiere staat die beide moord en brand schreeuwen
bij ieder spoortje Orthodox Christendom. Keer op keer wordt echter duidelijk dat Rusland een grondige weet heeft van de ernst van het
spel en dat ze daarom vabanque spelen. Men speelt of men speelt niet. Er is geen half spel, of virtueel spel. Men speelt niet mee met het
non-spel van het Westen. Er is alleen het spel; met een dodelijk ernst en met een ernstige vreugde en een gevaarlijke rand.

Dat ieder spel een rand van gevaar heeft is geen reden om niet te spelen, niettegenstaande de Westerlingen daar anders over denken. Zoals:
men heeft ontdekt dat ook terroristen "gebruik maken van massamedia", daarom mag sinds vandaag alle internetverkeer worden
gefilterd in Zweden op "staatsgevaarlijke" informatie. En: een staatscommissie heeft uigezocht dat staatscommissies in de laatste jaren
erg nuttig zijn geweest. En: omdat mensen gevaarlijk zijn voor elkaar en voor zichzelf moet hen iedere mogelijkheid om gevaarlijk te
worden ontnomen worden. Het zijn steeds dezelfde terugkerende redeneringen: omdat spelen risico's met zich meebrengt moet het gevaar
uit al het spel gehaald worden. En daarom wordt er niet meer gespeeld. Behalve wanneer de rand van gevaar is weggehaald bij het spel,
waardoor iedere burger is opgescheept met de altijd directe en hijgerige aandacht van de staat in zijn nek. De burger kan niets meer fout
doen en zit als een kind voor de spelcomputer van de staat; hij denkt dat hij speelt, maar hij speelt slechts virtueel, wat zoveel wil zeggen
als: hij speelt niet.

Nu gloort er licht omdat we bij tijd en wijle niet meer naar onszelf kijken terwijl we naar onszelf kijken, maar er plotseling echt spel
verschijnt dat niet van ons is. Bij vlagen kunnen politiek en media niet doen alsof Rusland een bedreigende dictatuur is, wanneer de Russen
ons met onze eigen middelen verslaan. Voetbal kan mooi zijn, laat ze maar kampioen worden. Het is een van de mogelijkheden tot herstel
van beschaving en Christendom, van volk en kerk. Het gaat om de spelvreugde in al ons leven.

Noten

*Hymna Rassii
[1] http://folk.ntnu.no/makarov/temporary_url_20070929kldcg/anthem-russia-2000-mariinsky.mp3
[2] vertaling: Wil van den Bercken
[3] Voor zover ik kan beoordelen zijn er akkoorden gebruikt uit de Kroningsscene uit de opera Boris Godounov van Moussorgsky.


Lees verder...